Post van Weldadigheid

Bent u één van die miljoen Nederlanders die een voorouder heeft in de Koloniën van Weldadigheid? Veel nazaten gaan op zoek naar het lief en leed van hun voorouders. Helpt u mee die gegevens vindbaar te maken?

Stand van zaken

  • 135.321 scans
  • 473 deelnemers

  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Dubbel ingevoerd 100%
  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Gecontroleerd 99.9%
Wil Schackmann

Wil Schackmann

De erfenis

Als je altijd arm bent geweest en nooit echt geld in handen hebt gehad, kun je de waarde van een grotere geldsom ook niet inschatten. Broer Wijtzes Blom is 29 jaar als hij door de subcommissie van weldadigheid Harlingen naar Willemsoord wordt gezonden. Hij was 'bevorens zeeman' en is getrouwd met Ike Okkes van der Stok. Ze hebben vier kinderen, ze komen aan op oudejaarsdag 1821 en ze betrekken die dag hoeve 95 van kolonie 3, Willemsoord.

Na twee jaar, november 1823, staan man en vrouw bij de subcommissie van weldadigheid Harlingen op de stoep. Ze vertellen dat 'op hun eene erfenis ware gevallen'. Ze rekenen zichzelf nu niet meer tot de armen die in de kolonie een beter bestaan moeten zoeken en 'zij verlangden in de maatschappij terug te keren en alzoo de kolonie te verlaaten'.

Dat zien de Harlingse notabelen niet zo zitten. Met name 'daar volgens onze informatien de erffenis zeer klein is'. Ze adviseren het echtpaar om in Willemsoord te blijven.

De familie Blom blijft zich echter als welgesteld beschouwen. Alleen vrouw Blom keert terug naar de kolonie en Broer Wijtzes blijft, vermoedelijk om alle formaliteiten rond de nalatenschap af te handelen, in Harlingen. Vandaaruit schrijft hij ook heel brutaal briefjes aan de middenstand in Steenwijk. Die laat hij weten 'dat hij een rijke erfenis had' en dat ze daarom gerust aan zijn vrouw op krediet kunnen leveren.

Dat gebeurt ook volgens de directeur van de kolonie, 'hetgeen ook eenigsints met de daad wierd beweezen'. Hij constateert dat 'vrouw Blom goed leefde'. Ze neemt het ervan zonder te werken en dat gaat zover dat ze 'zelfs een man betaalde, welke eenige noodzakelijke arbeid op hunne hoeve verrigte'.

Na twee maanden gaat ook zij met de kinderen naar Harlingen. Of alle rekeningen van de middenstand in Steenwijk voldaan zijn, is niet bekend.

Twee jaar later blijkt dat de Harlingse notabelen de omvang van de erfenis beter hebben ingeschat dan Broer Wijtzes en zijn echtgenote. Het gezin is opnieuw tot armoede vervallen. Ze kloppen aan bij de subcommissie en die plaatst ze in februari 1826 ten tweede male in Willemsoord.

Als ze in 1828 in de problemen raken, wordt de kwestie weer tegen hen gebruikt. Ze hebben wat van de spulletjes die ze van de kolonie hebben gekregen naar de bank van lening, 'te Steggerda, bij Siert', gebracht. Zoals 'een vrouwenhemd, dat de vrouw uit een best laken gesneden had, en twee bedlakens'. En een stoof hebben ze voor twintig cent aan een buurvrouw verkocht.

Ze worden voor de 'raad van policie over de vrije kolonien' geroepen. Daar verklaren ze dat het gebeurd was 'omdat de vrouw in de kraam gelegen had en de man ziekelijk was geweest'. Ze beloven de verpande goederen binnen een week gelost en weer in huis te zullen hebben.

De raad van policie bestaat op dat moment uit drie kolonisten en drie employées. De eerstgenoemden vinden dat Blom zeker fout zit en straf verdient, maar willen dat beperken tot enige dagen opsluiting in de strafkamer op de kolonie. De employées vinden dat ze zwaarder gestraft moeten worden. Het gezin is verkwistend en zou naar de strafkolonie op de Ommerschans gestuurd moeten worden.

En een zwaarwegend argument van de kant van de directie is 'dat de kolonist Blom voor eenige jaren eene erfenis bekomen hebbende, dezelve in de gewone maatschappij, binnen weinige maanden wederom verteerd had'.

Omdat de stemmen staken, wordt het overgelaten aan de permanente commissie en die kiest bijna altijd de kant van de employées. Op 10 maart 1828 komen ze aan in de strafkolonie. Binnen het promotie- en degradatiesysteem van de koloniën kun je dan na een aantal jaren een kans krijgen als arbeidershuisgezin. Zie folio 36 van invnr 1574, daar staan ze als arbeidershuisgezin te Veenhuizen genoteerd. Daar vertrekken ze 10 april 1836.

En nu... in dit project, kom ik tegen een brief van de burgemeester van Harlingen gedateerd 30 of 31 juli 1843 mededelende dat 'zekere Broer Blom & gezin vroeger op een hoeve in Uwe colonie geplaatst geweest zijnde, wordt ten gevolge van behoeftige omstandigheden op nieuw gedrongen zich derwaarts te begeven waartoe hij mijne tusschenkomst heeft gevraagd'.

Om met bedelaarskolonist Hagemeijer te spreken: 'Ja dag!'

Dit gaat niet door, een derde kans in de kolonie krijgen ze niet.

Wil Schackmann

  • BMH

    BMH

    Weer een illustrerend verhaal, Wil. Dit gezin leerde niet zich te handhaven buiten de kolonie in de gewone maatschappij...enne een tienrittenkaart was er ook niet in die dagen.:-)

    groet, Bertheke.