Post van Weldadigheid

Bent u één van die miljoen Nederlanders die een voorouder heeft in de Koloniën van Weldadigheid? Veel nazaten gaan op zoek naar het lief en leed van hun voorouders. Helpt u mee die gegevens vindbaar te maken?

Stand van zaken

  • 135.321 scans
  • 481 deelnemers

  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Dubbel ingevoerd 100%
  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Gecontroleerd 99.9%
Meedoen aan dit project
Wil Schackmann

Wil Schackmann

Dit schepsel niet kunnen gadeslaan

Het schrijven van rekwesten (verzoekschriften) met het verzoek een bepaalde bedelaar vrij te laten is een rage. Er komen er tientallen per jaar bij de koning binnen, soms met de bedelaar zelf als suppliant (verzoeker), soms van iemand uit de buitenwereld. Ze worden allemaal in behandeling genomen. Het ministerie van binnenlandse zaken moet zijne majesteit adviseren of zo’n verzoek wel of niet gehonoreerd kan worden. Daarvoor heeft het ministerie een vaste procedure.

Ze stuurt het rekwest eerst naar de gouverneur van de desbetreffende provincie (gouverneurs zijn de functionarissen die later in de eeuw commissarissen des konings gaan heten, de hoogste bestuurders in een provincie). Die gouverneurs vragen de gemeentebesturen van de plaats waar de bedelaar vandaan komt wat ze van het verzoek vinden. Daarna stuurt binnenlandse zaken het hele handeltje, dus én het rekwest én de mening van de gouverneur, naar de permanente commissie van de Maatschappij van Weldadigheid met verzoek om ‘advys en consideratien’.

Bij een tijdje langer door de post snuffelen is er grote kans dat je wel eens een onderdeel van die procedure bent tegengekomen. Bijvoorbeeld het advies van directeur Jan van Konijnenburg over het verzoek. Of de beslissing van binnenlandse zaken, wat meestal een hele rits rekwesten tegelijk betreft en op een gegeven moment grotendeels via voorgedrukte formulieren gaat.

Helaas tref je weinig rekwesten zelf. Als de permanente commissie haar ‘advys en consideratien’ geeft, stuurt ze alles weer terug naar binnenlandse zaken, ook de rekwesten. Het merendeel ervan zal dus in het archief van binnenlandse zaken zitten. Af en toe wordt er eentje vergeten en die krijgen we dan wel te zien tussen de post.

Ook Jan George Smit uit Den Haag heeft wel eens een rekwest geschreven. Hij woont in het ‘Lissabon’, een hofje aan de Denneweg in het centrum van de stad, en hij heeft drie dochters, ‘waarvan er eene met name Neeltje Smit’, die wel eens in de bedelaarsgestichten terechtkomt. Bij haar eerste opname heeft hij ‘op haar aanhoudend verzoek en plegtige beloften van verbeterd zedelijk gedrag’ een verzoekschrift ingediend en daarop was zij vrijgelaten.

Maar daarna maakt zij zich schuldig aan ‘verdubbeld wangedrag’ dat zo ver gaat dat het ‘aan het voor ziel en ligchaam gevaarlijke grensde’. Ze is in de gewone maatschappij niet langer houdbaar en wordt in december 1838 voor de tweede keer opgenomen. Neeltje is of geboren in 1806, zoals vermeld bij de eerste inschrijvingen, of in 1805, zoals vermeld bij latere inschrijvingen, dus ze is dan tussen de 31 en de 33 jaar oud. Verder is ze of 1.40 of 1.60 meter lang (??), heeft ze ‘donkerblond haar en blaauwe ogen’, een puntige neus en grote mond en verder een ‘lidteeken aan de duim linkerhand’.

Inmiddels is het juni 1843 en nu schrijft Jan George Smit opnieuw een rekwest, of beter gezegd hij laat het schrijven, want aan zijn krakkemikkige handtekening valt te zien dat hij het heel netjes en leesbaar geschreven verzoekschrift niet zelf op papier gezet heeft. De strekking van het rekwest zal echter wel uit zijn koker komen en die is of ze Neeltje alsjeblieft NIET vrij willen laten!

Dat vind ik heel bijzonder. Ik kan me niet heugen eerder een rekwest gezien te hebben met het verzoek iemand in het gesticht te HOUDEN. Heeft een van jullie zoiets ooit al eens gezien?

Jan George Smit weet zelf ook dat het vreemd is, want hij motiveert het uitgebreid. Zijn echtgenote is overleden en omdat hij zelf ‘door middel van kopergieten in het dagelijksch onderhoud moet voorzien, en dus geheele dagen uithuizig is’, kan hij zijn dochter niet in de gaten houden. Of in zijn woorden zal hij ‘dit schepsel in het geheel niet meer kunnen gadeslaan’. En dan is het ‘gewisselijk’ dat er ongelukken gaan gebeuren.

Bovendien kampt Jan George met mankementen aan de benen en raakt hij daardoor af en toe ‘in den staat van verdiensteloosheid’. Hij is, ‘om opregtelijk te spreken’, financieel niet in staat om haar tegen vergoeding ergens uit te besteden. En met de financiën zal het nog erger worden, want hij verwacht dat zijn dochter na haar thuiskomst ‘oogenblikkelijk den weg der luiheid (en wat daaruit volgt) bewandelt en alzoo zonder iets te verdienen, de weinige verdiensten van hem verbruit of met andere ligtekooijen verkwist’.

Vandaar zijn verzoek haar niet vrij te laten. ‘Eene bede,’ meldt hij, ‘die het vaderhart smartelijk grievend is, maar die de voorzigtigheid, vooral in háár belang gebiedt.’

Hij heeft zijn rekwest echter gericht aan de permanente commissie en die beslist niet over de vrijlating van bedelaars. ‘Daar zal wel niets aan te doen zijn,’ heeft een lid van de commissie dan ook met potlood op de brief geschreven. ‘Of de man verwijzen naar B.Zaken?’ staat er als suggestie bij, want binnenlandse zaken kan wél besluiten om iemand al dan niet in het gesticht te houden.

Een maand later staat Neeltje dan ook gewoon op een ontslag voordracht. Ze wil niet naar haar vader, maar ze ‘zegt bij hare oom den Heer Mandveld te huis te kunnen komen, en die bereid zoude zijn voor haar te zorgen’. Die oom, die ook Handveld zou kunnen heten, woont ook op de Denneweg in Den Haag, dus dat zijn buren. Maar of die oom ziet er van af, of Neeltjes vader weet toch nog in te grijpen, maar het ontslag wordt een jaartje uitgesteld.

Neeltje Smit komt pas augustus 1844 vrij. Na een klein jaar, mei 1845, is ze er echter weer. Dan houdt men haar maar liefst negen jaar, ze wordt mei 1854 ontslagen en keert juli 1854 terug. En zo blijft het altijd gaan, waarbij ze regelmatig wordt binnengebracht vanuit plaatsen (Zwolle, Assen) die duiden op een vrijwillige aanmelding. Als ze november 1876 aankomt is dat haar tiende (!!) opname. Na twee jaar vertrekt ze weer, inmiddels 71 of 73 jaar oud. Helaas was ik niet in de gelegenheid om even in een invaliditeitsregister te kijken om te zien of daaruit duidelijk wordt waarom ze zich in de gewone maatschappij niet kan redden. Maar ik ben dinsdag in het archief en dan meld ik mijn bevindingen.

Met dank aan Theo Zelders

Wil Schackmann

  • Wil Schackmann

    Wil Schackmann

    Ik heb het vandaag even nagekeken. Neeltje Smit staat op de lijst van 'geheel invalide bedelaars', met onderstaande omschrijving:

    Volgens mij staat daar 'prolapsus uteri' en op internet zoekend is dat een baarmoederverzakking. Of dat nu de reden is dat ze bijna haar hele leven in het gesticht zit, weet ik niet.

    Hartelijke groet,

    Wil

  • Theo Zelders

    Theo Zelders

    Uit verschillende brieven blijkt dat Neeltje nogal licht van zeden moet zijn geweest.  Misschien heeft ze ook een kind gekregen en is dit het gevlg?