Post van Weldadigheid

Bent u één van die miljoen Nederlanders die een voorouder heeft in de Koloniën van Weldadigheid? Veel nazaten gaan op zoek naar het lief en leed van hun voorouders. Helpt u mee die gegevens vindbaar te maken?

Stand van zaken

  • 135.321 scans
  • 467 deelnemers

  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Dubbel ingevoerd 100%
  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Gecontroleerd 99.9%
Wil Schackmann

Wil Schackmann

De strijd om de bakkerij op de Ommerschans, deel 2

Laatst bijgewerkt op: 

We waren gebleven bij de aanval in september 1846 van zoon Martinus Johannes de Bruijn op de positie van bakkersbaas op de Ommerschans, tot dan toe bekleed door zijn vader Johannes Hermanus de Bruijn. Die laatste is van mening dat 'ik nog zeer goed in staat ben om de Bakkerij zonder hulp van mijn zoon te kunnen waarnemen'. Dat wil niet zeggen dat hij zijn zoon wil beletten te trouwen. 'Neen WelEdelen Gestrenge Heeren ik beoog niets als zijn tijdelijk en eeuwig geluk.' Maar het offer dat nu gevraagd wordt, is te groot. Hij zou graag zien dat zijn zoon door de kolonieleiding 'een anderen werkkring buijten de Bakkerij wier aangewesen'.
Zo'n andere werkkring is er niet. De permanente commissie besluit op 5 oktober 1846 dat iedereen gewoon moet blijven zitten waar die zit. Tenzij directeur Van Konijnenburg constateert dat de oude De Bruijn de bakkerij echt niet meer aan kan. En hoewel Van Konijnenburg eerder wel die mening heeft uitgedragen, grijpt hij nu niet in. Dus de zoon moet de vader blijven helpen in de bakkerij en hij kan niet trouwen (er kunnen bij de Maatschappij geen twee echtparen in één huis wonen, dat wordt nooit toegestaan). Alle ingrediënten voor een zeer ongemakkelijke samenleving.
Het wordt dan ook hele grote bonje. Directeur Van Konijnenburg noemt het een 'vreesselijken onmin, welke er tusschen hen bestaat'. Volgens hem ligt het aan allebei: 'De oude man, ofschoon eerlijk en vlijtig, is onbegrijpelijk driftig, eigenzinnig en onverdragelijk voor anderen, terwijl men van zijnen zoon zeggen moet: “de vrucht is niet ver van den stam gevallen.” De twee kemphanen zelf geven, als gebruikelijk, elkaar de schuld.
Volgens de vader gaat zijn zoon 'alle paalen van menschelijkheid en kinderpligt te buijten'. Hij verhaalt dat hij hem had gevraagd bij de onderdirecteur een wagen te vragen 'om rogge na de molen te brengen', maar dat Martinus Johannes had geantwoord 'ik verdom het om weer om een wagen te vragen dan kunt gij er zelf op uijtgaan'. Daarop had de vader hem met een klap gedreigd, 'daar ik meende als vader regt op te hebbe'. Waarop de zoon hem waarschuwt dat niet te proberen 'want dat hij zijn hande niet zou thuijs houde'. Daarop laat de vader het maar na, 'want in de kragten gaat hij mij ver te boven'.
Bij een andere gelegenheid heeft de zoon zijn ouders uitgemaakt 'voor Rapalje en volkje van Jan rap en zijn maat'. Dat schijnen ernstige beledigingen te zijn, want de vader verdedigt uitgebreid de eer van de ouders van hem en zijn vrouw. Er wonen ook nog twee ongehuwde dochters in huis, eentje van 35 en eentje van 25. De ene zou de zoon hebben bedreigd 'om haar te trappen dat de gal haar de keel zou uijt spatten' en de ander 'als zij in het water lag en om hulp aan hem vroeg zou hij haar een trap op de nek geven en zegge Verzuijp Bliksem'.
De zoon klaagt dat - 'in weerwil dat ik naar mijn inzien naar mijn beste vermogen mijne plicht in alle deelen tracht te vervullen' - het hem onmogelijk is om nog 'de gunst mijns vaders te verwerven'. Integendeel, hij komt slechts afkeer tegen. 'Ik kan en mag niet vergeten,' schrijft de zoon, 'dat de man die mij het leven verbitterd mijnen vader is.' Die moet hij eerbiedig benaderen, 'edoch als mensch zijnde valt mij dit dikwijls zeer moeijelijk'. En zijn vader heeft al tegen hem gezegd 'dat ik niet behoef te denken nog een vader en moeder te hebben'.
De halve Ommerschans bemoeit zich er mee. Dominee Campagne heeft Martinus Johannes al eens streng onder handen genomen over zijn plichten als kind, maar daarna was de zoon 'onbeschaamd genoeg om bij zijn thuijs komen met vuijs slagen op de tafel te slaan ik geef om geen dominee ik geef om geen mensch om geen Bliksem Ja zelfs om de duivel Niet'. Adjunctdirecteur Hulst heeft zich met de kwestie bemoeid en ook wijkmeester Willem van den Bosch heeft de zoon vermanend toegesproken. 'Maar alles loop vrugteloos af,' volgens Johannes Hermanus. Zijn zoon 'moet vader maar in het graf hebben dan is hij Bakkerbaas en kan hij trouwen en dan is zijn wensch vervuld'.
Begin mei heeft de zoon de vader laten weten dat hij genoeg heeft van diens 'Koeijennasie' (waarschijnlijk afgeleid van koeioneren) en dat hij blij zou zijn van hem af te zijn ook al zou er voor hem niet anders overblijven dan 'een Zwart Buijsje met een Groene Kraag'. Daarmee doelt hij op de dracht van de bedelaars. En de vader schrijft aan de permanente commissie of ze de zoon weg willen sturen en hem een andere assistent in de bakkerij willen geven.
De zoon schrijft als reactie dan ook een brief en dan ligt in mei 1847 alle rottigheid bij de permanente commissie op tafel. Die voelt er niets voor 'nog eene proeve te nemen of de bakkersbaas De Bruyn te Ommerschans en zijn zoon elkander zullen verdragen'. Zolang de vader de bakkerij in zijn eentje kan draaiend houden, moet hij in functie blijven en dat betekent dat de zoon moet verdwijnen.
Martinus Johannes doet er een klein jaar over om weg te gaan, uiteindelijk verlaat hij maart 1848 met ontslag de kolonie. Hij houdt zich daarna op in Deventer waar hij in het huwelijk treedt. Vader Johannes Hermanus blijft. Niet zo heel lang, hij overlijdt twee jaartjes later, 8 augustus 1850. Een maand erna, op 13 september 1850, wordt Martinus Johannes aangesteld als de nieuwe bakkersbaas van de Ommerschans. Alsnog. Of er sprake is geweest van een verzoening tussen de zoon en de ouders is niet bekend.

((met dank aan Theo Zelders voor de tips en Luurt Vrijen voor de transcripties))