Post van Weldadigheid

Bent u één van die miljoen Nederlanders die een voorouder heeft in de Koloniën van Weldadigheid? Veel nazaten gaan op zoek naar het lief en leed van hun voorouders. Helpt u mee die gegevens vindbaar te maken?

Stand van zaken

  • 135.321 scans
  • 467 deelnemers

  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Dubbel ingevoerd 100%
  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Gecontroleerd 99.9%
Wil Schackmann

Wil Schackmann

Het Paasoproerfeuilleton, afl 6

Er zijn volgens de bedelaars een aantal oorzaken waarom het op de avond van paasmaandag uit de hand is gelopen. Zoals het eerder al even genoemde feit ‘dat in de voorgaande week drie dagen achter een volgende gortsoep was gegeven’. Er is niets tegen gortsoep, maar drie dagen achter elkaar?!?

Dan het feit dat de winkel de beide paasdagen gesloten was, zodat er geen gelegenheid is geweest brood of iets anders te kopen. En misschien wel het belangrijkste: er is vier dagen niet gewerkt. Visser somt op dat in het tweede gesticht ‘den 17e door de Goede Vrijdag, den 18e door mijne Inspectie, den 19e Zondag, en den 20e tweede Paaschdag’ alle arbeid heeft stilgelegen. Met als gevolg dat ‘dus de kolonisten voor het grootste gedeelte in ledigheid die dagen hadden doorgebragt’.

En ledigheid is des duvels oorkussen. Vooral omdat men in het gebouw moet blijven. Het is in een bedelaarsgesticht niet toegestaan om een stukje over de hei te gaan wandelen.

(In het wezengesticht is dat trouwens ook niet toegestaan. De wees die het boekje De wees van Amsterdam heeft geschreven kan niet begrijpen waarom de kinderen altijd tussen de vier muren van het gesticht moeten blijven ‘en waarom de weezen nooit eens mochten wandelen. Was ’t dan een misdaad in den zomer of in welk jaargetijde ook, de schoone natuur met haar golvende graanvelden, met haar prachtige bloeiende boekweitakkers te beschouwen? Waarom gunde men hun het genot der heerlijke natuur niet, wier stille aanschouwing en bewondering de edelste gevoelens wekt.

Dacht men er niet aan?

O, had men er wel aan gedacht, had men den weezen meer vrijheid van beweging gegeven, velen zouden dankbaarder, zelfstandiger en werkzamer zijn geworden!’)

Terug naar de bedelaars bij wie de ledigheid ook tot gevolg had dat het brood sneller opging dan normaal ‘als wanneer er ’s avonds na de werktijd doorgaans nog iets voorhanden is’. Een en ander leidde tot wat Visser noemt ‘de klagende, morrende bedenkingen die zoo ligt onder de kolonisten opkomen’, maar zeg dus gewoon dat het leidde tot honger.

Toen was het idee opgekomen om aan ‘de kok de helft van het brood te vragen, dat hij reeds voor den volgenden morgen onder zijne bewaring had, met nog geene andere bedoeling, dan zich den volgenden morgen met de andere helft te vreden te houden’. Maar de kok ‘die bij hun als oneerlijk bekend stond’ had geweigerd daaraan mee te werken en dat ‘maakte hunne driften gaande’ met alle al eerder beschreven gevolgen.

Als ze het over een 'oneerlijke' kok hebben, verdenken ze hem er waarschijnlijk van dat hij niet al de uit het magazijn aangeleverde bestanddelen ook in de maaltijd doet, maar dat hij bijvoorbeeld een deel van het vlees achterhoudt, hetzij voor eigen gebruik, hetzij voor de verkoop. Ik heb de indruk dat dat een vorm van fraude is die best vaak voorkomt. Er valt weinig tegen te doen, de voorraden in het magazijn worden nauwgelet gecontroleerd, er staat precies op papier hoeveel er per keuken wordt afgeleverd en er zijn mensen bij als het afgewogen wordt, maar wat er daarna mee gebeurt...? Een keuken kookt voor twee zalen met 40 bedelaars elk, dus maakt maaltijden voor 80 personen en probeer dan maar eens na te gaan of al het vlees erin zit.

Visser luistert braaf en legt de verklaringen van de bedelaars later netjes vast in zijn verslag, maar hij komt niet te weten waar het hem echt om te doen is. ‘Wat hunne verdere bedoeling voor den avond was, werd ik niet gewaar.’ Dat lukt ook niet als hij tijdens de maaltijd in de zaal blijft ronddreutelen. ‘Na het eten werd het gewone appel gehouden, waarna ieder weder als altijd naar den arbeid ging.’

Visser weet nog steeds niet wat hij die avond kan verwachten, maar hij denkt wel even gemist te kunnen worden. Hij gaat verder met zijn gewone werk aan het eerste gesticht, ‘met voornemen en belofte aan den Adjt.Direct., tegen den avond terug te komen’.