Post van Weldadigheid

Bent u één van die miljoen Nederlanders die een voorouder heeft in de Koloniën van Weldadigheid? Veel nazaten gaan op zoek naar het lief en leed van hun voorouders. Helpt u mee die gegevens vindbaar te maken?

Stand van zaken

  • 135.321 scans
  • 473 deelnemers

  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Dubbel ingevoerd 100%
  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Gecontroleerd 99.9%
Wil Schackmann

Wil Schackmann

Het Paasoproerfeuilleton, afl 7

Tegen zes uur ’s avonds loopt Wouter Visser weer naar het tweede gesticht. Onderweg komt hij kolonisten tegen die van het werk terugkeren, ‘met wien ik al weder een of ander gesprek aanving’. Opnieuw is zijn bedoeling om ‘als ongezocht iets naders ten aanzien der bestaande plans te vernemen’. Maar zijn pogingen blijven vruchteloos.

Daarna posteert hij zich in de winkel van het etablissement, want hij weet dat iedereen daar na het werk naar toe komt. Even terzijde, het gedeelte van het assortiment van zo'n winkel dat van buiten moet worden gekocht, is in een eerder stukje al eens langsgekomen.

Het is de vraag of de winkelier het zo leuk vindt dat Visser hem op zijn vingers gaat staan kijken. Die winkelier is sinds negen jaar Albertus de Jager, 49 jaar oud en afkomstig uit Den Haag. Hij zal dit werk tot zijn dood in 1847 blijven doen, waarna zijn vrouw en kinderen nog zeven jaar lang de winkel van het tweede gesticht zullen drijven.

Er zijn in het verleden verschillende regelingen geweest met betrekking tot de koloniewinkels, onder andere een vorm waarbij de winkelier de winkel op eigen risico drìjft, maar de huidige situatie is dat de winkelhouder in dienst is van de Maatschappij. Daarvoor ontvangt hij een loon van zeven gulden per week, dus 364 gulden per jaar. Dat is meer dan een zaalopziener verdient, die krijgt f 5,20 per week, dus 270,40 per jaar, en daarom komt het regelmatig voor dat zaalopzieners solliciteren als een winkel vacant is.

Overigens: het begrip loonrondes is nog niet uitgevonden, als je in 1825 driehonderd gulden per jaar verdient, dan verdien je dat in 1859 ook.

Albertus moet nu aanhoren dat Wouter Visser alle bezoekers vraagt of er ‘ook klagten mogten bestaan’ over de manier waarop de winkel gedreven wordt. Die uitnodiging heeft tot gevolg ‘dat men aanmerking maakte op het gewigt’. De winkelier schijnt de waren te wegen ‘in eenen hoek van den winkel voor hun onzichtbaar’. Andere klanten voegen eraan toe dat ‘de kopere gewigten voor eenige dagen, door den lands eiker waren afgekeurd’, wat dus betekent dat ze de afgelopen tijd te weinig gewicht voor hun geld gekregen hadden. En een andere klacht behelst ‘dat er voor eenige dagen even als nu geen boter verkrijgbaar was’.

Visser gaat de klagers alles uitleggen. Wat de gewichten betreft is het toch een geruststellende gedachte dat ‘de gewigten en maten jaarlijks worden geëikt’. En als er tussentijds twijfels over zijn, kan men altijd terecht bij de ‘schaalhouder’. Elke koloniale winkel heeft een schaalhouder die opgeroepen kan worden om de waren en de gewichten te controleren.

‘Ten aanzien van de boter,’ vertelt Visser, ‘deed ik gevoelen, hoezeer het mogelijk was er somtijds een enkel artikel in den winkel kan ontbreken, maar dat er dan toch altijd gelegenheid was om hun geld aan een ander nuttig artikel te besteden, zoo als nu aan spek, haring en Leidsche of Vriessche Kaas enz’. Volgens Visser weet hij alles goed uit te leggen, ‘met welke toespraak men dan ook genoegen nam’.

‘In dien tusschentijd.’ meldt Visser, ‘was de geheele bevolking binnen gekomen’. Blijkbaar, dat wist ik niet, loopt het hek op het binnenplein door tot in de winkel, want Visser heeft het over ‘de mannen en vrouwen ieder binnen de voor hun bestaande hekken’.

Er is nu toch sprake van enige spanning bij hem, want ‘mij dacht, dat dan nu wel haast de tijd zou gekomen zijn waarop zij weder brood zouden vragen’. Hij is dan ook ‘op mijn hoede, en in mijne gedachten op alles voorbereid’.

Dan, ongetwijfeld tot opluchting van Albertus de Jager, verlaat Wouter Visser de winkel. Hij gaat nonchalant wat over het terrein rondlopen.