Post van Weldadigheid

Bent u één van die miljoen Nederlanders die een voorouder heeft in de Koloniën van Weldadigheid? Veel nazaten gaan op zoek naar het lief en leed van hun voorouders. Helpt u mee die gegevens vindbaar te maken?

Stand van zaken

  • 135.321 scans
  • 476 deelnemers

  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Dubbel ingevoerd 100%
  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Gecontroleerd 99.9%
Meedoen aan dit project
Wil Schackmann

Wil Schackmann

Het Paasoproerfeuilleton, afl 10

Wouter Visser bekort zijn verdere inspectie wel enigszins. ‘Slechts twee dagen heb ik mij in de gewone koloniën opgehouden, om dat en mijne eigene gezondheid en famielle betrekkingen in ’s Hage mijne spoedige terugreize scheenen te vorderen.’ Zijn uiteindelijke verslag – inclusief de bijlagen met alle lijsten, kasoverzichten, magazijnvoorraden enzovoort, grof geschat zullen het over de driehonderd vel zijn – laat ook nog een tijdje op zich wachten, maar blijkbaar gaat hij de eerste dagen van mei wel langs op het kantoor van de permanente commissie om alvast een en ander te vertellen.

Daar breekt de pleuris uit.

Zaterdag 2 mei stelt men vast ‘dat de staat van onrust waarin de bevolking van het 2e Gesticht te Veenhuizen verkeert, buitengewone maatregelen noodzakelijk maakt’. Men kan drie buitengewone maatregelen bedenken. De eerste betekent een retourtje voor Visser. De permanente commissie besluit ‘den Inspecteur der kol. te gelasten zich met spoed naar Veenh. te begeven, ten einde de verstoorde rust in het 2e Gesticht aldaar te herstellen’. Om de boel rustig te krijgen, verstrekt de permanente commissie aan Wouter Visser een ‘volmagt daartoe zoodanige maatregelen te nemen, als de omstandigheden te deze blijken te vereischen’.

De tweede en de derde maatregel hangen met elkaar samen. Directeur der koloniën Jan van Konijnenburg is sedert enkele dagen met verlof. De reden heb ik niet kunnen vinden, maar het zal ongetwijfeld met familie te maken hebben, want hij is ‘thans met verlof te Noordwijk’ en Noordwijk-Binnen is zijn geboorteplaats.

Even voor een goed begrip: het verschijnsel vakantie is nog niet uitgevonden. Een werknemer van de Maatschappij is gewoon altijd in dienst. Als je er een keer tussenuit wilt zul je bij de werkgever verlof moeten aanvragen. En dat hoef je niet te vaak te proberen, normaliter weigert de Maatschappij aan zo’n verzoek te voldoen als je het jaar ervoor al verlof hebt gehad.

Het is dan ook zeldzaam, eens in de paar jaar een weekje, dat Jan van Konijnenburg niet op kantoor in Frederiksoord is. Zolang hij weg is, worden zijn taken waargenomen door de adjunctdirecteur voor de vrije koloniën Coenraad Hulst. Omdat men van plan is Coenraad Hulst naar de brandhaard te sturen, zal Jan van Konijnenburg van verlof moeten terugkomen. De permanente commissie besluit hem ‘te kennen geven dat de P.C. zich verpligt ziet het aan hem verleende verlof intetrekken, met uitnoodiging van onmiddellijk naar Frederiksoord op zijnen post terug te keeren’.

Daarbij is ‘uitnoodiging’ eufemistisch, hij moet gewoon. En woensdag 6 mei staat in een brief van de directeur vanuit Frederiksoord ‘gisteren alhier, op UWedGeb: last, wedergekomen zijnde’, dus gezien de reistijden van toen heeft hij zich inderdaad gehaast.

En dan is er een bijzondere rol weggelegd voor Coenraad Hulst, maar over hem eerst iets meer, want het is iemand die we in de post regelmatig tegenkomen. Hij komt duidelijk uit iets betere kringen dan de doorsnee koloniebewoner. De sollicitatiebrief die hij april 1824 schrijft, is een gesophisticeerd kunststukje. Het is dan, schrijft hij, al tien jaar dat hij in zijn geboorteplaats Assen ‘onafgebroken als geemployeerde op onderscheidene kantoren, meestal van financielen en administrativen aard ben werkzaam geweest’. Maar dat zijn allemaal geen vaste banen en hij is dan bijna 27 jaar en er is sprake van een ‘reikhalzend verlangen om tot een meer gevestigd bestaan te geraken’. En daarom, aldus Hulst, ‘dat ik mijne blikken vestigde op de administratie der kolonien’.

De kolonie Veenhuizen is dan net in oprichting en de Maatschappij maakt gebruik van Hulsts aanbod ‘om een of twee maanden zonder beloning in het eerste gestigt, in den bedoelden post werkzaam te zijn, om de Directie te overtuigen of en in hoe verre ik voor de bedoelde werkkring berekend was’. Met dien verstande dat ze er drie maanden proeftijd van maken en hem in het derde gesticht zetten. Hij wordt daar onderdirecteur-binnen (jaarsalaris 500 gulden) vanaf de start van dat gesticht in 1825. Dat doet hij negen jaar.

Dan komen er in 1834 diverse functies vrij waarop hij solliciteert, wat ik in dit stukje even noem, en wordt hij bevorderd tot adjunctdirecteur bij het bedelaarsgesticht Veenhuizen-2 (jaarsalaris 1000 gulden). Dat is een functie waarvoor iemand een borgtocht van duizend gulden moet stellen en dan blijkt weer de goede afkomst van Hulst, want de borgsteller is niemand minder dan een zoon van de voormalige gouverneur van Drenthe, Hofstede.

De volgende carrièrestap is in 1836. Per 1 april van dat jaar wordt hij adjunctdirecteur voor de gewone of vrije koloniën (jaarsalaris 1200 gulden). Coenraad Hulst is dan 39 jaar en hij zal dit werk altijd blijven doen. Hij haalt daarna ook zijn familie binnen, want zijn twee jaar jongere broer Adrianus Hulst wordt in 1838 de nieuwe adjunctdirecteur van de kolonie Ommerschans en zal dat altijd blijven.

De organisatie in de vrije koloniën is dat ze alledrie een onderdirecteur aan het hoofd hebben. In 1840 is dat in Willemsoord Jan Lamberts Hoving, een voormalig wijkmeester uit Veenhuizen. In Frederiksoord is dat Hendrik Faaken, een oudgediende die al in het gebied woonde lang voordat de Maatschappij zich er vestigde en in Wilhelminaoord is de onderdirecteur Anne Hendriks Idserda. Die drie worden aangestuurd door de adjunctdirecteur voor de vrije koloniën en dat is vanaf 1836 dus Coenraad Hulst. Hij woont behoorlijk riant, in een huis dat niet zo ver van de school van Wilhelminaoord afstaat en dat de naam ‘Welgelegen’ draagt, wat Coenraad Hulst ook altijd trots boven zijn brieven zet en waarvan ik een fotootje uit het begin van de 20e eeuw bijvoeg, dat ik heb van de bijzonder goed-gedocumenteerde site van fledderkerspel

 

 

Het is trouwens in dat pand dat Coenraad Hulst in 1843 door de vrije kolonist Johannes Hermanus Kniessenberg met een mes zal worden bewerkt, maar dat even terzijde en terug naar 1840.

De Maatschappij wil profiteren van de ervaring die Coenraad Hulst heeft opgedaan als adjunctdirecteur van het tweede gesticht door hem daar weer naar toe te sturen. Hij wordt opgedragen ‘zich onverwijld derwaarts te begeven’. Met als opdracht om ‘provisioneel’, voorlopig, ‘het bestuur van den Heer Kluvers overtenemen’.

Het zal ook Jacob Kluvers duidelijk zijn dat hij het niet lang meer gaat redden bij de Maatschappij.