Post van Weldadigheid

Bent u één van die miljoen Nederlanders die een voorouder heeft in de Koloniën van Weldadigheid? Veel nazaten gaan op zoek naar het lief en leed van hun voorouders. Helpt u mee die gegevens vindbaar te maken?

Stand van zaken

  • 135.321 scans
  • 481 deelnemers

  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Dubbel ingevoerd 100%
  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Gecontroleerd 99.9%
Wil Schackmann

Wil Schackmann

Als het u weledele wist, souw het seker niet gebeuren

Af en toe komt er bij de permanente commissie een brief binnen van een voormalig bedelaarskolonist die na zijn vrijlating nog wat kwijt wil over de instelling die hij net verlaten heeft. Vaak gaat het dan over employés die iets bijverdienen door kolonisten uit te buiten. Ik ben bang dat er wat dat betreft inderdaad een heleboel fout zit in de bedelaarsgestichten, ik heb de neiging zulke klachten wel te geloven.

De permanente commissie heeft blijkbaar dezelfde neiging, want ook al is een brief die ze november 1843 ontvangt anoniem, toch geeft ze directeur Van Konijnenburg opdracht om het helemaal uit te zoeken. De naamloze schrijver meldt dat hij twee jaren in de Ommerschans geweest is en ‘nouw met eenige tijd met mijn ontslag’.

‘Daar ik god voor dank,’ voegt de anonymus eraan toe, ‘want u moet dan weete...’ en dan komen de klagten.

De eerste is dat de zaalopzieners de bedelaarskolonisten dwingen om bij hen koffie te kopen en niet in het waterhuisje op het binnenplein. Haal je je koffie toch op het plein, dan word je door de zaalopziener uitgescholden. Daarbij krijgen de mannen te horen dat ‘zij hun gelt an de vrouwe en hoere gefen’ en de vrouwen ‘dat zij het aan de manne gefen’ en ze worden uitgemaakt voor respectievelijk ‘hoerelopers’ en ‘hoere’.

‘Dus om vredes wil,’ aldus de anonieme briefschrijver, ‘moet men maar hun sin doen en koffij hale.’ Zaterdags bij de uitbetaling ‘houde de majoors de sente in, en het spek dubbeltje ook’ en heeft de arme bedelaar niets meer ‘om wat tabak of een stukkie brood voor te kope, alles moet de majoor hebben’. Ik heb twee vragen hierbij:

- Het woord spekdubbeltje ben ik al een paar keer tegengekomen, maar ik snap nog steeds niet wat er mee wordt bedoeld. Iemand suggesties?

- De zaalopzieners noemt hij consequent ‘majoors’. Daar heb ik een tijdje over zitten piekeren, want ergens komt het woord zaalmajoor mij wel bekend voor, ik heb dat vaker gehoord. Maar in woordenboeken kan ik het niet vinden. Is iemand het wel eens ergens tegengekomen?

De tweede klacht van de anonieme briefschrijver betreft medekolonisten die nering drijven op de zaal, ‘die verkoope brood stoet, boter kaas vleesch visch, worst en wie weet wat al meer en die worden rijk en knoejen met de majoors’. Door dat alles worden de bedelaars ‘soo ongelukkig, en dat is tog niet soo als het hoort’. Als hier tegen opgetreden wordt, ‘dan zoude de arme koloniste weer wat op de been kunne komen, en er wat meer order kunne sijn’. De briefschrijver bezweert de weledele heren dat hij de waarheid vertelt en ‘daarom dagt ik dit u weledele dit te moeten laten weten want als het u weledele wist souw het seker niet gebeuren’.

De op onderzoek uitgestuurde Jan van Konijnenburg reageert erop op de eennalaatste dag van 1843 en zijn brief heeft nummer N3631, zodat een klein rekensommetje ons leert dat de brave directeur het hele jaar door iets meer dan tien brieven per dag schrijft. Hij meldt eerst dat alle ambtenaren op de Ommerschans om het hardst roepen dat er van dit alles niets waar is, maar voegt vervolgens toe: ‘Ik, voor mij, echter, sla daaraan wel eenig geloof.’ Dat komt onder andere omdat hij ‘eergisteren, toevallig een ontslagen kolonist ontmoetende en naar een en ander vragende, daaromtrent bevestiging bekwam’.

De koffie-kwestie is volgens de directeur eenvoudig op te lossen door net als in Veenhuizen een tweede koffiehuisje op te richten. Zoals ik eerder al eens verteld heb is in zo’n waterhuisje ‘de uitgifte gratis van gekookt water en van coffij en water en melk voor de geringste prijzen’. Zo'n huisje erbij zou inclusief fornuizen en kookpotten op 250 gulden komen.

Het door medekolonisten handel drijven op de zalen ‘schijnt, zoo als de Adjunct Directeur mij heeft verzekerd, voor eenigen tijd reeds te zijn afgeschaft’, maar dat wordt door de bovengenoemde pas ontslagen kolonist tegengesproken. Het gaat vooral om tabak. Die verkoopt de winkelier alleen in verpakkingen van 5 of 2½ ons en dat kunnen velen niet betalen, dus dat wordt in kleinere hoeveelheden doorverkocht.

Daarna gaat Van Konijnenburg een tijdje tierend het etablissement door. Hij voegt de winkelier toe ‘dat zijne handelwijze alle berisping verdiende, daar hij behoorde te verkoopen bij zulke geringe hoeveelheden als het tarief aanduidde, terwijl ik ook den Onder Direteur mijne ontevredenheid heb te kennen gegeven, van een en ander niet beter en meer te surveilleren, gelijk ik ook de zaalopzieners heb te kennen gegeven, wel te gelooven, dat de baatzucht hen soms onbillijk jegens de kolonisten deed zijn’. Zo, uitgeraasd.

Uiteindelijk vindt de permanente commissie een tweede waterhuisje toch te duur, dus dat wijst ze af, maar ze verlangt wel dat die winkelier van de Ommerschans scherp in de gaten gehouden gaat worden, want ze heeft van de inspecteur der kolonièn Wouter Visser vernomen ‘dat de kolonisten in dien winkel niet altijd het volle gewigt bekomen’. En vooral, vooral moet op de assistent in de winkel ‘een waakzaam oog’ gehouden worden, want ondanks het feit dat die man een bedelaarskolonist is, is hij door de inspecteur onlangs aangetroffen ‘over de Vaart in een herberg, (doorgehaald: gekleed als een heerschap) in burger kleeding en eene partij biljart spelende’. Ja jongens, dat kan natuurlijk niet!

(met dank aan Jan Ebels)

 

 

  • Ans Esselink

    Ans Esselink

    Dag Wil,

     

    Volgens een verslag van Dr Staring en Mr Quarles van Ufford ,de Koloniën van Weldadigheid in 1846, werd een spekdubbeltje wekelijks uitgedeeld aan "ieder kolonist of hij gezond zij of ziek". Natuurlijk alleen te gebruiken in het winkeltje.

    In het verslag staat hierover geschreven: "uit de verdiensten wordt het benoodigde bekostigd voor het onderhoud en de kleding der bedelaars, daaruit krijgen zij hun spekdubbeltje of winkelgeld en bovendien 10 pct als zakgeld... Van de overige verdiensten strekt een deel tot stijving hunner tot ontslag vereischte fondsen, terwijl het overige in een reservekas gestopt wordt, waaruit men het onderhoud der niets verdienenden vindt.

     

    Hartelijke groet,

    Ans

  • Bussum

    Bussum

    In Veenhuizen werden tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw militaire termen gehanteerd, zo had je onder de gestichtswachten majoors en commandanten. Ik neem aan dat die traditie al in de tijd van de Maatschappij van Weldadigheid werd gehanteerd.

  • Femke de Slegte

    Femke de Slegte

    Misschien is dit ook een gezichtspunt:

    taalkundig is "majoor" in verband te brengen met major/maior/majeur/magnus met als primaire betekenis "opper-", of "hoofd-". En vaak in combinatie met een ander woord. Bv. tamboer-majoor is de oppertamboer.

    Zaalmajoor zou dan zaalopperste/zaalopziener/ zaalhoofd betekenen, wat lijkt mij de lading van de functie goed dekt. 

    Dit past mooi bij het gebruik om militaire termen te hanteren, zoals hierboven genoemd.