Post van Weldadigheid

Bent u één van die miljoen Nederlanders die een voorouder heeft in de Koloniën van Weldadigheid? Veel nazaten gaan op zoek naar het lief en leed van hun voorouders. Helpt u mee die gegevens vindbaar te maken?

Stand van zaken

  • 135.321 scans
  • 467 deelnemers

  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Dubbel ingevoerd 100%
  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Gecontroleerd 99.9%
Wil Schackmann

Wil Schackmann

Liefde in het bedelaarsgesticht, deel 4a: de doofstomme klompenmaker

Laat ik er meteen maar nog een doofstomme achteraan doen, dat past wel mooi bij vorige week! Deze staat, zoals dat wel vaker voorkomt bij bedelaarskolonisten, ingeschreven als ‘N.N.’ Bedelaarsnummer 2038 in het boek ‘gemerkt F’, doorlopend in het boek ‘gemerkt G’. Naast de onbekende naam zijn er een onbekende geboortedatum, onbekende geboorteplaats en onbekende godsdienstige gezindheid. Ja, je kunt het niet vragen.
Wel bekend is dat hij op 29 april 1830 is aangekomen uit Groningen, dat hij lang is één el en 547 strepen, dat hij ‘ligtbruin’ haar heeft en ‘ligtblaauwe oogen’, een kleine neus en spitse kin, en bij de ‘merkbare teekenen’ staat ‘stom en doof’, maar dat had ik al verklapt. Na twee maandjes Ommerschans wordt hij gedetacheerd in Veenhuizen.
Hij komt in de post voor omdat hij najaar 1834 een rekwest heeft ingediend met een verzoek om ontslag. Dat snap ik niet. Als je een rekwest kunt schrijven of kunt laten schrijven, dan kun je ook duidelijk maken hoe je heet en wanneer je geboren bent. Toch?
Het verzoek wordt mede ingediend door bedelaarskolonist 734. Maria Hendrika Nederhoed, 22 jaar en afkomstig uit Winschoten, tien centimeter korter dan N.N. en volgens het signalement verder voorzien van een ‘dikke neus’ en ‘ronde kin’. Zij staat na twee jaartjes Ommerschans en Veenhuizen op het punt ontslagen te worden en dat is de reden dat het rekwest is geschreven, want zij en N.N. hebben trouwplannen!
Een rekwest, meestal gericht aan de koning of diens familieleden, gaat altijd naar het ministerie van Binnenlandse Zaken dat een advies over het rekwest uitbrengt dat zijne majesteit nagenoeg altijd navolgt. Om te kunnen adviseren stuurt Binnenlandse Zaken het eerst naar de gouverneur van de provincie waar de rekwestrant vandaan komt en die informeert bij de desbetreffende gemeente. Als de mening daarvan bij Binnenlandse Zaken binnen is, gaat het hele pakket voor ‘berigt, konsideratien en advys’ naar de Maatschappij van Weldadigheid.
Van Konijnenburg verzamelt daarop de meningen van de staf over N.N. en meldt: ‘Deze is doof en stom, doch anders een sterke en vlijtige jongen, die het klompenmaken te Veenhuizen zoo verre geleerd heeft, dat hij als knecht, buiten de kolonien, mogelijk in zijn onderhoud zou kunnen voorzien.’ Maar om dat ambacht als baas uit te oefenen is N.N. nog niet goed genoeg en Van Konijnenburg kan zich ook niet voorstellen dat hij al in staat is een gezin te onderhouden. ‘Daarbij is hij nog jong en het is dus in zijn welbegrepen belang, dat hij zich eerst nog verder bekwame, alvorens hij uit de kolonien worde ontslagen.’
Die mening stuurt de permanente commissie - inclusief het originele rekwest en de opvattingen van de gemeente en gouverneurs; jammer genoeg zitten zulk soort spullen dus niet in het archief van de Maatschappij - naar Binnenlandse Zaken op 10 november 1834. Maria Hendrika Nederhoed is dan al ontslagen. Maar N.N. zit nog in Veenhuizen.
Janauri 1835 komt het ministerie van Binnenlandse Zaken er op terug. Ze hebben er nog eens over nagedacht en ze snappen het niet helemaal. Ze kunnen zich niet voorstellen ‘hoedanig die doofstommen thans deszelfs verlangen om ontslag te kennen zou hebben kunnen geven’. Daarom vragen ze zich af of hij het wel écht wil.
Daarnaast kunnen ze zich niet voorstellen wat de vooruitzichten voor Maria Hendrika Nederhoed zijn ‘om met dien ongelukkige een huwelijk aantegaan’. Hoe moet dat gezin aan de kost komen? Als... het al tot een huwelijk kan komen. Want het ministerie vraagt zich in gemoede af hoe de doofstomme N.N. ‘in staat mogt wezen, om zijn voornemen daartoe, genoegzaam duidelijk, aan den dag te leggen, om de voltrekking van dat huwelijk voor de ambtenaren van den Burgerlijken Stand mogelijk te maken’.
Volgens mij hoef je dan alleen maar ‘ja’ te knikken, maar het ministerie heeft nooit van lichaamstaal gehoord en heeft er blijkbaar behoefte aan de jonge huwelijkskandidaten tot op het bot te betuttelen. Of de Maatschappij hier maar op wil reageren?

De rest komt woensdag.