Post van Weldadigheid

Bent u één van die miljoen Nederlanders die een voorouder heeft in de Koloniën van Weldadigheid? Veel nazaten gaan op zoek naar het lief en leed van hun voorouders. Helpt u mee die gegevens vindbaar te maken?

Stand van zaken

  • 135.321 scans
  • 481 deelnemers

  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Dubbel ingevoerd 100%
  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Gecontroleerd 99.9%
Meedoen aan dit project
Wil Schackmann

Wil Schackmann

Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 7: Zulk een dwazen ijver

Jannes Poelman en Augustinus Textor zitten met die verklaring in hun maag. Normaal is dat teruggebrachte deserteurs moeten verschijnen voor een uit personeelsleden bestaande Raad van Tucht. Hetzij de 'Raad van Tucht voor weezen, vondelingen en verlatene kinderen' hetzij de 'Raad van Tucht voor arbeidershuisgezinnen'. Maar als deze verklaring daar ter tafel komt, is in no time op de hele kolonie bekend dat de katholieke geestelijkheid jongeren stimuleert om weg te lopen! Dat wordt chaos.

Het is niet de bedoeling dat lagere personeelsleden zelf nadenken, dat dienen ze over te laten aan de directeur. Jannes Poelman stuurt meteen de volgende dag het proces verbaal van het verhoor naar Jan van Konijnenburg met een begeleidend briefje dat er punten instaan 'waarvan men in den Raad niet gaarne melding zoude willen maken'. En hij vraagt de directeur wat hij moet doen, of 'het in dit geval niet beter zoude zijn, de jongelingen eenvoudig voor den Raad van Tucht als gewone deserteurs te doen verschijnen, zonder daarbij het verhoor in aanmerking te nemen'.

Jan van Konijnenburg is geschokt te lezen dat de roomse geestelijkheid jongens van 17 en 15 jaar 'tot ongehoorzaamheid aan hunne ouders en verstooring der goede orde in het gesticht heeft opgezet'. Hij noemt het 'een aller ongepast gebruik van hunnen invloed' en hij maakt zich zorgen over de gevolgen van 'zulk een dwazen ijver'. Het is gevaarlijk voor de rust en orde in de kolonie, hij denkt aan het eerdere uitjoelen en met steentjes gooien - 'waar aan men de geestelijkheid niet geheel onschuldig hield' - en de onrust zou makkelijk kunnen overslaan naar de bedelaarsgestichten.

Hij bedenkt ook nog een argument tegen Poelmans voorstel om de jongens voor de Raad van Tucht te brengen zonder van de bemoeienis van de pastoor en kapelaan te reppen. Teruggebrachte deserteurs worden altijd veroordeeld tot acht dagen in de strafkamer 'om de andere dag te water en brood' - als ze voor de tweede keer zijn weggelopen moeten ze die acht dagen 'met boeijen aan' in de strafkamer doorbrengen, als het voor de derde keer is vliegen ze naar de strafkolonie op de Ommerschans - en worden daarnaast veroordeeld tot de 'premie- en transportkosten'.

Degeen die ze heeft teruggebracht krijgt drie gulden voor elke wegloper en daarnaast worden zijn reiskosten vergoed. Dat bedrag wordt dan ingehouden op het tegoed aan oververdienste in het spaarbankboekje van de wegloper. Maar in dit geval zou dat volgens Van Konijnenburg 'tot een onregtvaardig vonnis leiden, daar niet die kinderen, maar de geestelijkheid strafbaar is en de kosten van terug brenging zoude behooren te vergoeden'.

Het is ook niet de bedoeling dat de directeur teveel zelf nadenkt, dat dient hij over te laten aan de permanente commissie en dus stuurt hij meteen het hele zaakje daarnaartoe.