Post van Weldadigheid

Bent u één van die miljoen Nederlanders die een voorouder heeft in de Koloniën van Weldadigheid? Veel nazaten gaan op zoek naar het lief en leed van hun voorouders. Helpt u mee die gegevens vindbaar te maken?

Stand van zaken

  • 135.321 scans
  • 476 deelnemers

  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Dubbel ingevoerd 100%
  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Gecontroleerd 99.9%
Meedoen aan dit project
Wil Schackmann

Wil Schackmann

Post-varia -4

C & A Brenninkmeyer
Op 18 november 1847 rapporteert directeur Van Konijnenburg dat de in de Ommerschans verblijvende bedelaarskolonist F. Mulder (nummer 3008) 'na 3 jaren dienst bij de garnizoens compagnie, in het laatst van 1843 door Zijne Excellentie den Minister van Oorlog, met f 50.- s jaars is gepensioneerd, waarvan de acte bij C & A Brenninkmeyer te Dedemsvaart is berustende, bij wien hij er f 4.- op geleend heeft'.
Hé... C & A? In zo'n geval vraag ik meteen Helmuth Rijnhart. Helmuth doet prachtig werk op www.bonmama.nl. Als je bedelaars, hoevenaars of employées bij de Ommerschans zoekt, moet je altijd daar ook even kijken. Er wordt overlegd om zijn gegevens, die van mij die hier staan en die van het Drents Archief goed aan elkaar te koppelen dat het straks allemaal nog makkelijker wordt.
Helmuth vertelde mij dat Clemens en August Brenninkmeijer nooit in Dedemsvaart gewoond hebben. Er waren wel gevestigd Aegidius en Leo Brenninkmeijer, jongere broers van Clemens en August. Overigens wel in een huis dat eigendom was van C & A. En misschien - afgaande op de hierboven geciteerde brief - hebben ze daar wel een filiaaltje van het grootwinkelbedrijf-in-wording gerund.

De parremerente comiesie
Wilhelm Hendrikus Bijlaart is in 1838 met zijn gezin in de vrije kolonie Wilhelminaoord geplaatst, in zijn eigen woorden 'bij den Vriese Brug'. Hij is dan 36 of 37 jaar oud. Acht jaar later, op 20 juli 1846, wendt hij zich in wanhoop tot zijn broer 'S. Bijlaart Spiegel, fabriekant op de oudegragt, Utrecht'. Hij vraagt zijn broer of hij wil schrijven aan 'de parremerente comiesie' en hij geeft ook de naam van het lid van de permanente commissie die het daar volgens hem voor het zeggen heeft: 'den wel Edele Gestrenge Heer Faber van Riemsdijk lid van de tweede kamer die is voor de genneral van de bos in de plaats gekomen'.
Zijn broer moet in 'een zeer minzamen brief' vragen om strafvermindering. Bijlaart en gezin zijn namelijk veroordeeld tot de strafkolonie op wat hij noemt 'de onderschans'.
Dat is vier dagen eerder gebeurd, op de zitting van de 'Raad van Policie en Tucht in de Gewone Kolonien, op den 16e July 1846'. De vrouw van Bijlaart, Willemina Adriana van Putten, was betrapt op het verkopen van touw dat door een bestedeling in de fabriek gestolen was. Dat had nog kunnen aflopen met een paar dagen opsluiting in de strafkamer op de kolonie, maar rekening houdend met het feit dat 'de vrouw bijna alles te Noordwolde verkoopt, wat zij in huis heeft' en het feit dat haar man geweten moet hebben van de ontvreemding van het touw omdat hij tegelijk met de bestedeling in de fabriek aan het werk was geweest en tenslotte met de mening van de directie 'dat het huisgezin van Bijlard zeer ordeloos en geheel ongeschikt voor de gewone kolonien is', was de Raad gekomen tot een verbanning voor onbepaalde tijd naar de strafkolonie.
Dergelijke overwegingen komen niet voor in de brief van Wilhelm Hendrikus aan zijn broer. Integendeel, het lijkt of ze acht jaar lang modelkolonisten zijn geweest waar nooit iets op aan te merken was en met kinderen die uitblonken in de weverij. In de woorden van Bijlaart, 'dat wij hier altijd de naam hadden voor een zeer knap huisgezien'. Zijn vrouw had het alleen maar gedaan 'om er iets aan te verdienen en ook niet naa gedag dat er zulks its uit voord zoude komen'.
Interessant in de brief is hoe Wihelm Hendrikus denkt over het leven in de strafkolonie, want dat is dus het beeld dat vrije kolonisten hebben over wat hun altijd als mogelijkheid boven het hoofd hangt. Om te beginnen moet het eten daar beroerd zijn, in kwaliteit: 'wat gestamp eten en een aardappele brood', en in hoeveelheid: 'te veel om te leven en te weinig om te sterven'. Dat laatste bedoelt hij natuurlijk net andersom, maar goed, de bedoeling is duidelijk.
Daarnaast krijgt hij 'daar een veldwachter altijd bij mijn op mijn werk en bij mijn kinderen' en moeten ze temidden van tuig leven. Er zijn onder de bedelaars die gegeseld of gebrandmerkt zijn, 'alderlij ras is daar'. En tenslotte is de huisvesting krap en slecht. Het eigenlijke gebouwtje van de strafkolonie op de zuidwal van de schans bestaat uit tien 'huisjes', lees: kamers, waarvan een in beslag wordt genomen door de schoolmeester van de schans Haaije Hoogstra die als nevenfunctie het opzicht over de strafkolonisten heeft. Volgens Bijlaart staan de huisjes 'stijf van de want luizen' en is het gebouwtje overvol, met soms wel drie gezinnen in één huisje: 'daar moet men dan maar op de grond onder malkander liggen net als verkens'.
Dat overvol zou heel goed kunnen. In deze jaren met een toegenomen repressie verdwijnen er per zitting van de Raad van Policie en Tucht twee à drie gezinnen naar de strafkolonie en een stuk of tien alleenstaanden, dus kolonistenkinderen en bestedelingen. Die laatsten komen op de schans meestal bij de bedelaars op zaal, maar de gezinnen moeten allemaal naar het strafkoloniegebouwtje. En dan zijn er nog de raden van tucht bij de gestichten in Veenhuizen die ook regelmatig arbeidershuisgezinnen naar de strafkolonie sturen.
Kortom, het zal er vol zijn en al met al schetst Wilhelm Hendrikus Bijlaart een vreselijk beeld van de straf die hem wacht. 'Broeder als ik daar naa toe moet is gewis mijn dood.'
Het is onbekend of de broer uit Utrecht inderdaad aan Faber van Riemsdijk geschreven heeft, maar ook als dat het geval is geweest heeft het niet uitgemaakt. Bijlaart en zijn gezin worden in augustus 1846 overgebracht naar de strafkolonie. Zijn vrees dat hij het niet zal overleven wordt niet bewaarheid. Wilhelm Hendrikus, Willemina Adriana en de drie nog thuiswonende kinderen blijven gezond, één zoon gaat in militaire dienst, de rest keert na drie jaar verbanning terug naar de vrije koloniën, in dit geval  Willemsoord. Daar blijven ze nog vijftien jaar, tot Wilhelm Hendrikus, hij is dan inmiddels 61 of 62 jaar, met zijn vrouw deserteert.
(met dank aan Theo Zelders voor de transcriptie)

Als zij de kagchel in de school kwam potlooden
Nog even terugkomend op die hierboven genoemde schoolmeester van de Ommerschans Haaije Hoogstra. Hij had al een bijbaantje, voorzanger in de kerk, waarmee hij 25 gulden per jaar bijverdient, als hij in 1830 ook tot opzichter over de strafkolonie aangesteld wordt, wat hem 78 gulden per jaar oplevert. Vijf jaar later, hij is dan veertig jaar, raakt hij in opspraak. Hij heeft een jonge bedelaarskolonist, de 17-jarige Louis Lolkema, als hulpkracht in de school en die Lolkema verspreidt december 1835 het verhaal 'dat de Hoofd onderwijzer H. Hoogstra met de huisvrouw van den Arbeiders Kolonist Dirk Wiemes op eene gemeenzame wijze zoude verkeeren'.
Lezers van De proefkolonie kennen die vrouw van Wiemes, zij het niet bij naam. Maar als het Zeeuws meisje van de vierde linie dat trouwt met de ingedeelde bij proefkolonist Baade (Dirk Wiemes dus), wat het aller-allereerste van de duizenden kolonie-huwelijken is. Haar naam is Elisabeth Smies en ze is een voordochter van de proefkolonist Hubrecht de Ruiter uit Axel. Elisabeth heeft als bijklusje dat ze op de schans 'de Kerk en de School schoon houdt'. Volgens de hiervoor genoemde Lolkema is ze 'tusschen de school uuren' regelmatig bij Hoogstra 'in het Konsistorie Kamertje, doch niet wetende wat aldaar gebeurde, dewijl de deur dan digt was'. Bovendien heeft hij meermalen gezien 'als gemelde Vrouw de kagchel in de school kwam potlooden, zij met de meester zeer gemeenzaam was'.
Zoek ik uit. Ga ik volgende week mee verder!


  • Abdulwadûd Louws

    Abdulwadûd Louws

    Laatst bijgewerkt op: 

    Wordt het geen tijd voor een kolonie-film, Wil? ;-)