Drie getuigen verklaren dat ze Jannetje, de dochter van schoenmaker Swerus Schaap, 'nimmer hebben gekend voor iemand van een wulpsch, legtvaardig of onkuijsch gedrag, maar inteegendeel wel weten dat zij een zeer geschikt, ingetoogen en zeedig mensch is'. Het kind dat door vroedvrouw Sijtje Dronrijp gehaald is – een jongetje – is dan ook het resultaat van een brute verkrachting, die plaatsvond in het bed van haar ouders, gedetailleerd beschreven in deze attestatie. Ene Arij van Oostrum is de d(v)ader.
Van Oostrum loopt de winkel binnen en doet de deur, die open stond, achter zich op de knip, loopt door naar het achterhuis, waar Jannetje het bed staat op te maken en vraagt of haar vader niet thuis is. Nee, antwoordt Jannetje, die is 'met de schuijt van achten gegaan', naar Hoorn. "Dan ben je alleen," zegt Arij en gooit haar op het bed. Jannetje worstelt 'zoo sterk zich tragtende van hem te ontzetten dat zij de saaije gordijnen van de bedsteede gescheurd en de roede krom getrokken heeft'. Terwijl hij haar gewelddadig verkracht, legt hij haar de hand op de mond, zeggende "Je bent donders sterk!" en "Zoo uw vader na de gordeijnen vraagd, dan moet je maar zeggen dat de hond die gescheurd heeft en nu weet je als je een vreijer krijgt hoe die doen zal." En wijzend naar bloeddruppels op de vloer voor de bedstee: "neemt dat op, want uw moeder is donders slim, en zeg het niet teegen uw vader, want dan moet ik de stad uijt."
Aldus Jannetje zelf, in barensnood aan de vroedvrouw verteld.
JOHANNES CREYGHTON 1757-1793 - 1 - Beginner - 14020 - (1764-1764) - NOTU00200000193 - NOTU00200000198