Miljoenen akten liggen nog begraven in het archief van de Amsterdamse Notarissen. Ga mee op ontdekkingstocht en help de geschiedenis van Amsterdam herschrijven!
Mijn naam is Bob Pierik, ik was de afgelopen jaren promovendus aan de UvA, waarbij ik veel aan jullie werk heb gehad.
Ik ben nu sinds kort aan de slag op de VU bij een project genaamd 'Omgaan met droogte'. Mijn collega’s en ik zijn daarvoor op zoek naar stedelijke watervoorzieningen en akten waarin mensen water gebruiken tussen 1550 en 1850. Denk daarbij aan zaken over regenbakken, dakgoten, waterkelders, putten, waterschuiten, de ijsbreker, wasserijen, blekerijen, drinkbakken voor dieren, mensen die de was doen, mensen die water drinken, water verkopen of water bij voedselbereiding gebruiken. Maar eigenlijk alles waarin water in of om de stad wordt gebruikt is mogelijk interessant voor ons (Omdat we ons op de stad richten laten we zaken over zeescheepsvaart voor nu buiten beschouwing).
Mede door jullie harde werk is er al heel veel te vinden via de indexen, maar mocht je nog meer mooie akten tegenkomen, dan horen wij dat heel graag!
Verslag van een escalerende burenruzie over regenwater:
In de Achterstraat, aan de 'gemene goot' van pakhuis Muijden heeft Stijntje Does haar emmertje gehangen. Dat is vol en ze wil er juist haar andere emmertje aan hangen als Jan Lure aan komt lopen en zijn emmer er voor in de plaats hangt. "Buurman, siet wat jij doet, het is mijn beurt," roept Stijntje. Jan scheldt haar meteen uit voor 'donderse hoerenwaardin' en voegt daar aan toe dat Stijntje een 'zoon van een seer aansienlijk heer binnen dese stad had afgeset en dat sij daar over was uijtgebannen geweest'. Hij gooit haar op de grond en brengt haar 'diverse sware slagen toe'. "Dat is geen kerels maar jongenswerk, dat jij een vrouw tegen de grond gooijt en slaat," roept een buurvrouw. Stijntje wordt overeind geholpen en naar huis geëscorteerd. "Scheele hond!" roept iemand tegen Jan Lure. Dat heeft Anna Heldoorn, Jans echtgenote gehoord. Ze trekt haar jas uit en haalt de ringetjes uit haar oren. "Kom eruijt donderhoer!", schreeuwt voor het huis. Jan Lure gaat intussen Jan Does, de vader van Stijntje, te lijf. Hij grijpt hem bij de keel en Does valt 'in onmacht' achterover. Zodra hij weer is opgestaan vliegt Anna hem aan en krabt zijn gezicht open. "Vader, vader, kom toch boven," schreeuwt Stijntje, waarop Anna ook haar 'met veel verwoedheid' te lijf gaat, haar muts in stukken scheurt en haar bij het haar en de borst grijpt. Ook Stijntje valt in zwijm na 'vreselijk geslagen te zijn' en er wordt met 'vuijligheijd van de gootplank' gegooid. Jan Lure is bezig met een breekijzer de voordeur open te breken en benedenbuurvrouw Duijfje Sluijter probeert Jan Does tegen te houden, die inmiddels boven is en weer naar beneden wil. Anna is naar haar zeggen een 'vreeselijke slag met een emmer tegen haar arm toegebragt' en de omstanders horen haar dreigen: "Ik sal die oude schelm soo veel doen dat er een ander een exemplaar sal neemen, al sou het bij mijn saligheijd mijn ruïne weesen!'
Vijf getuigen verklaren dat dat van die emmer niet waar is en zijn bereid daar op te zweren.
Deze attestatie van 27 december blijkt een reactie op een eerdere, door Anna Heldoorn en Jan Lure (daar Jan Leure geheten) bij Hendrik Daniel van Hoorn afgelegd op 2 december (KLAC00384000465). Duijfje Sluijter attesteert mee. Hier blijkt dat bovengenoemde 'Scheele Hond' – hier 'Scheele Jongen' – de spreekwoordelijke rode lap betekende voor Anna: "Mijn man siet niet scheel. Siet je vader of je broer ook scheel?" schreeuwt ze terug.