Post van Weldadigheid

Bent u één van die miljoen Nederlanders die een voorouder heeft in de Koloniën van Weldadigheid? Veel nazaten gaan op zoek naar het lief en leed van hun voorouders. Helpt u mee die gegevens vindbaar te maken?

Stand van zaken

  • 135.321 scans
  • 481 deelnemers

  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Dubbel ingevoerd 100%
  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Gecontroleerd 99.9%
Meedoen aan dit project
Wil Schackmann

Wil Schackmann

Kruiwagens vol medicijnen

Laatst bijgewerkt op: 

Met de geneeskundige zorg voor het eerste etablissement in Veenhuizen, waar wezen gehuisvest zijn, is heel vaak iets mis. Van de twaalf artsen die er werken tussen 1824, toen het gesticht geopend werd, en 1859, toen de kolonie Veenhuizen door de staat werd overgenomen, sterven er vijf terwijl ze die functie uitoefenen. Meest aan de tyfus.

Zes nemen zelf ontslag. Een belangrijke reden is de hiërarchische structuur van de Maatschappij van Weldadigheid. De geneesheer van het eerste etablissement is niet alleen ondergeschikt aan de chef van de geneeskundige dienst, maar ook aan de adjunctdirecteur van het eerste gesticht. Een van de artsen schrijft in zijn ontslagbrief dat hij in zijn vak geen bevelen aan kan nemen 'van menschen die er volstrekte leeken in zijn'. Hij wenst de Maatschappij veel succes met het vinden van een arts 'die laag genoeg is zich soortgelijke aanmatigingen te laten welgevallen'. Een andere reden is de - voor het zware werk - erg karige beloning.

Eentje neemt niet zelf ontslag, maar wordt weggestuurd. En die komen we af en toe tegen in de periode die we nu indexeren.

Pierre Gideon Huët is 37 jaar als hij in januari 1834 zijn functie als arts van het eerste etablissement aanvaardt. Hij is een predikantenzoon, getrouwd, met één kind, heeft het laatst gewoond in Zaltbommel en is volgens eigen zeggen drie jaar actief geweest als 'officier van Gezondheid der tweede klasse bij het mobile leeger'.

Al snel na zijn aantreden komen er vanuit de kolonie klachten. Die gaan voor een belangrijk deel over zijn sociale vaardigheden. Daar lijkt het een en ander aan te mankeren. Hij wordt ondermeer 'koppig' genoemd, 'halstarrig', een 'aller lastigst sujet', 'een ongemaklijk man', een 'onhandelbare medehelper', hij kan 'geen regt wijzing of tegen spraak dulden', 'de man heeft hoegenaamd geen de minste practischen tact', kortom, Huët is geen wonder van communicatie.

Belangrijker is de kritiek op de medische behandeling van de aan zijn zorg toevertrouwde kinderen. Dat komt vooral van dokter Gerardus Hozeas Amshoff. Hij is president van de Drentse provinciale geneeskundige commissie en neemt als bijbaantje de zorg waar op het derde gesticht, waar ook wezen wonen. De bedelaarskolonist Douwe Petrus van Steenwijk die daar enkele jaren als arts heeft gewerkt, is namelijk weer aan de drank geraakt, heeft zijn volledige instrumentarium verkocht om aan jenever te komen, is een paar keer komen assisteren bij bevallingen terwijl hij volslagen teut was en is dus eind 1833 ontslagen. Het duurt tot half 1834 eer daar een nieuwe arts is aangesteld.

Maar daarnaast is Amshoff ook chef van de geneeskundige dienst voor de hele kolonie Veenhuizen en zou Huët dus zijn aanwijzingen moeten opvolgen. Amshoff constateert echter keer op keer dat Huët 'bij aanhoudendheid halstarrig blijft weigeren de behandeling der zieken in te rigten naar de door mij met de meeste kiesheid en inschikkelijkheid medegedeelde inzigten'. En als Huët het naar eigen inzichten doet, gaat het niet goed.

Zo is er kritiek op zijn behandeling van oogaandoeningen. Hij behandelt 'de teedere lijdertjes' eerst met aderlatingen en dan met bloedzuigers, met 'pappen op de oogen', met Spaanse vliegpleisters 'van 2 tot 3 handpalmen groot in de nek' en tussendoor scherpe oogspoelingen met een kamferoplossing. Dat is een heel andere aanpak dan op het derde gesticht. De ooglijdertjes op het eerste gesticht worden volgens Amshoff 'ja wel, genezen', maar het kost veel meer tijd en het gebeurt vooral 'op eene voor de zieken meer pijnelijke wijze'.

Maar ja, 'de Heer Huet wilde volstrekt naar geenen raad luisteren'.

Ook bij de behandeling van andere ziektes lijkt hij als een bulldozer over zijn patiënten heen te walsen. Bij lichte ongesteldheden kan het volgens andere artsen vaak overgelaten worden aan de 'pogingen, die de natuur zelf ter herkrijging van verlorene gezondheid in het werk stelt'. Maar Huët wil die pogingen ondersteunen, met als gevolg dat hij ze 'daardoor veelal in de war brengt'.

Amshoff constateert dat 'hevige borstaandoeningen' als complicatie bij een kinderziekte 'bloedontlastingen vorderden, en bij verzuim daarvan dodelijk afliepen'. En hij voegt eraan toe: 'de droevige ervaring heeft den Hr Huet, dit tegen mijnen raad aan, helaas geleerd'. Oftewel, Huët kost levens.

Na een half jaar zijn er in het etablissement evenveel kinderen gestorven als in heel 1833. En iedereen heeft het met de man gehad. Directeur Van Konijnenburg laat de permanente commissie op 12 juli weten 'hoe hoog het met hem reeds geklommen is'. Misschien dat een terechtwijziging door de permanente commissie 'den Heer Huët van zijne dwaasheid zou doen terug komen', maar eigenlijk gelooft hij er niet meer in.

De adjunctdirecteur van het eerste gesticht, Johannes Poelman, klaagt dat 'den Geneesheer Huët, zoo ondraaglijk word'. Hij noemt het 'schandelijk' hoe Huët zijn patiënten behandelt en 'de kleine kinderen onnodig foltert met Spaansche vliegen en bloedzuigers'. Het moet ophouden. 'Zijn crediet als geneesheer daalt dagelijks zoo dat ieder vreest de Docter nodig te hebben.'

Na 'vermaningen en bedreigingen' door de permanente commissie lijkt het wat beter te gaan, maar dat is schijn. Het wordt juist steeds erger, Huët lijkt door het dolle heen. Half september luidt Amshoff de noodklok. Niets is in staat Huët 'van zijne denkbeelden, die hij eens heeft opgevat, af te brengen'. Als Amshoff zegt dat het anders moet, geeft Huët het in zijn ogen afdoende antwoord 'dat de praktijk vrij is'. Hij doet zijn eigen zin en dat is een ramp, want 'zijne geneeskundige kennis is, bij zijne onvolgbaarheid, allerbekrompenst'. Wat hij bedoelt met die onvolgbaarheid legt Amshoff uit: 'alles ligt in zijn hoofd verward door één'.

Daaruit vloeit voort 'dat zijne geneeskundige behandeling meestal verwarring is'. Vaak staan bij de kribben van zieke kinderen vier of vijf verschillende geneesmiddelen. 'Zoo geeft hij b.v. aan denzelfden patient op denzelfden dag bloedzuigers, vegetabile verkoelende dranken, kina, opwekkende naphtaas, opium en wijn.'

Ook al werken die middelen tegen elkaar in, 'de arme lijdertjes moeten alles gedugt slikken'. Het medicijngebruik is enorm. 'Ladingen op kruiwagens gaan van de apotheek naar de ziekenzaal.' Waar vroeger één persoon makkelijk de medicijnenvoorziening kon doen, 'worden nu de veréénigde kragten van twee menschen meestal gevorderd'.

De gevolgen zijn verschrikkelijk. 'Van hier dan ook de verschrikkelijke sterfte aan het eerste gestigt, vooral in vergelijking met het derde. – De proportie is als 2 tegen 1.' Volgens Amshoff is 'de man ten eenemale ongeschikt voor den post van Geneesmeester ter dezer plaatse' en hij smeekt de permanente commissie 'uit aanmerking van het belang van zoo vele menschenlevens' hem onmiddelijk te schorsen of te ontslaan.

Maar Amshoff is te laat, er waren al berichten bij de permanente commissie binnengekomen en twee dagen eerder was het besluit Huët te schorsen al genomen. Hij mag geen kinderen meer behandelen, dat wordt waargenomen door de inmiddels in het derde gesticht aangestelde geneesheer Willem Gerard Kramer, alleen de gezinnen aan de buitenkant van het gesticht mag Huët nog behandelen, en hij wordt voor de helft van zijn loon gekort.

Het duurt een volle maand eer Huët in de pen klimt om aan de permanente commissie te schrijven en daarbij toont hij een van de karakteristieken van medici die van alle tijden lijkt te zijn: een allerbelabberdst handschrift. Voorzover er uit wijs valt te worden verweert hij zich tegen de beschuldiging van 'onwilligheid, ongepast en weerbarstig gedrag, eigendunkelijke handelwijze en laakbare gedragingen' met te stellen dat er in zijn eerdere betrekkingen nooit aanmerkingen op hem geweest zijn.

'Ja Mijne heeren, ik heb in den tijd te Veenhuizen doorgebragt, heb ik volgens eer en geweten mijn pligt betragt.' Hij meent dat hij gepakt wordt op zijn 'te grote eerlijkheid'. Hem valt geen 'eenig wezendlijk strafbaar plichtverzuim' te verwijten, ondanks de 'zoo kleine bezoldiging' en 'zoo veel hoon' die hij heeft moeten verdragen. Hij gaat tekeer tegen 'menschen welke willens en weetens hunne oogen en ooren voor de waarheid en het regt sluiten' en die hem belasteren, en eist herziening van het besluit.

Dat gaat niet door. Zodra op 1 februari 1835 Johan Christiaan Jacob Teil Schindler als geneesheer van het eerste etablissement in dienst treedt moet Pierre Huët helemaal verdwijnen. In de tien maanden van 1834 dat hij de scepter heeft gezwaaid over het eerste gesticht, zijn rond de zestig wezen overleden.

Met dank aan de invoerders die mij tips en (stukjes) transcriptie deden toekomen, met dank aan Luurt die overige transcripties - inclusief van Huet! - heeft gemaakt en met gebruikmaking van het boek De gezondheidszorg in de koloniën der Maatschappij van Weldadigheid door Miek Roelfsema.

Wil Schackmann

 

 

 

  • rvanhes

    rvanhes

    Laatst bijgewerkt op: 

    Ik was benieuwd hoe het verder gegaan is met dokter Pierre Gideon Huët (Vlissingen, 5-9-1796).

    Op www.wiewaswie.nl kwam ik hem in 1839 en 1840 nog steeds in Norg tegen. Hij kreeg daar samen met zijn vrouw Maria Catharina Albertina Sophia Veeren in die jaren twee zoons. De kinderen zijn allebei kort na de geboorte overleden, resp. 13 dagen en 2 maanden erna. In 1839 was het beroep van de vader geneesmeester, in 1840 geneesheer. Mevrouw Huët is op 13 januari 1843 te Norg overleden. Haar echtgenoot is geneesheer. (akte familysearch) Misschien is ze wel in Veenhuizen begraven en is er nog een steen.

    Na 1835 is hij dus helemaal niet uit de buurt van Veenhuizen verdwenen.

    In 1864 wordt z'n naam genoemd bij het huwelijk van zijn zoon Rudolph Hendrik Johan (1836, Norg). Dat gebeurde in Haarlem.

    In een biografie van zoon Rudolph staat dat zijn vader, 'Pierre Gédéon Huet officier van gezondheid was, vervolgens geneesheer te Gendringen, Zalt-Bommel, Norg en Hulst. In dankbaar aandenken aan de lieve tweede moeder van zijn jongens, Maria Charlotta Louise Gallandat met wie hij in 1844 trouwde, had de vader in 1860 de naam Gallandat toegevoegd aan de zijne.' (Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek)

    Pierre Gédéon Gallandat Huët is op 11-3-1875 te Leiden overleden.

     

  • Wil Schackmann

    Wil Schackmann

    Hartelijk dank, Ria. Ik vind dit heel interessant. Maar - en die ervaring zullen jij en iedereen bij historisch of familie-onderzoek ook wel hebben opgedaan: alle nieuwe informatie levert weer nieuwe vragen. Wat deed de man jaren na zijn ontslag in hemelsnaam nog in Norg???

    Hartelijke groet,

    Wil

  • rvanhes

    rvanhes

    Er is in de negen jaar na 1834 vast nog wel eens wat over- of door dokter Huët geschreven. Want het lijkt erop dat hij gewoon in Veenhuizen is blijven werken. Misschien heeft hij zich wat aangepast of is men aan hem gewend geraakt?

  • Pim Erbee - Drents Archief

    Pim Erbee - Drents Archief

    Hallo project collega’s

    Vandaag kwam ik bij de controle van de scans een lijst tegen van medicijnen die in de kolonie gebruikt worden.

    Leuk ter illustratie

    Met vriendelijke groet

    Pim

     

     

  • Wil Schackmann

    Wil Schackmann

    Hij is echt niet in Veenhuizen blijven werken, Ria. Per 01-02-1835 is hij ontslagen en werd Johan
    Christiaan Jacob Teil Schindler arts in het eerste etablissement, terwijl Willem Gerard Kramer voor Veenhuizen-2 en -3 zorgde, dus er was ook geen plaats voor Huët meer in de kolonie Veenhuizen. Op de financiële personeelslijsten zie ik hem ook niet staan, dus ik acht het uitgesloten dat hij na 01-02-1835 nog voor de Maatschappij van Weldadigheid werkte.

    Ik zal dit geheel eens voorleggen aan Miek Roelfsema, van het onderaan mijn stuk genoemde boek. Misschien heeft Huët praktijk in Norg zelf gehad?

    Hartelijke groet,

    Wil