Post van Weldadigheid

Bent u één van die miljoen Nederlanders die een voorouder heeft in de Koloniën van Weldadigheid? Veel nazaten gaan op zoek naar het lief en leed van hun voorouders. Helpt u mee die gegevens vindbaar te maken?

Stand van zaken

  • 135.321 scans
  • 476 deelnemers

  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Dubbel ingevoerd 100%
  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Gecontroleerd 99.9%
Meedoen aan dit project
Wil Schackmann

Wil Schackmann

Liefde in het bedelaarsgesticht, deel 2

Ik heb het op deze plek wel eens over Willempje van der Doozen gehad, zie hier. Even heel in het kort: als de weduwe Schoolbroek met vier dochters vanuit Vreeland in de vrije kolonie geplaatst, daar zwanger geworden van een bij haar ingedeelde jongeman, voor straf verbannen naar de strafkolonie op de wallen van de Ommerschans en daar ontmoet ze de bedelaarskolonist Harbregt en ze leefden nog lang en gelukkig.

Nu kwam ik een tijdje terug een brief tegen van die Harbregt op een cruciaal moment van die romance en die brief vond ik wel héél erg mooi. Dus die ga ik even behandelen. Hij is gedateerd 18 januari 1836 en gericht aan de permanente commissie der Maatschappij van Weldadigheid.

'Hoog Edel Gestrenge Heeren!' luidt de aanhef.

'Met verschuldigden eerbiedt nadert Christiaan Willem Harbregt, gevestigd aan de Ommerschans onder N1072, de Permanente Commissie, het onderstaande blootleggende:'

Op het kantoor van de permanente commissie is daarop meteen iemand de kopietjes van de stamboeken ingedoken en die noteert met potlood in de kantlijn dat nummer 1072 voor de tweede maal in het bedelaarsgesticht is opgenomen en zich een jaar geleden, op 15 februari 1835, vrijwillig in het vlakbij gelegen Avereest heeft aangemeld voor opname.

Christiaan Willem begint zijn brief met te refereren aan zijn eerste opname. Hij was toen op 21 december 1826 vanuit Rotterdam in de Ommerschans gekomen, waar hij 'door zijn goed gedrag veldwachter is geworden'. Dat zal best kloppen, er zijn altijd bedelaar-veldwachters, alleen wordt dat helaas meestal niet in de boeken genoteerd.

Aan die carrière kwam een eind, meldt Harbregt, toen hij 'op den 1 Mei 1831 als plaatsvervanger is in dienst getreden bij de schutterij'. Dat was in de tijd dat België zich had afgescheiden van de verenigde Nederlanden en koning Willem I het vertikte dat te accepteren en een grote mobilisatie, de 'algemeene wapening', had afgekondigd.

Maar tijdens zijn tijd op de Ommerschans, vervolgt Harbregt, had hij 'alstoen kennis verkregen aan de weduwe Schoolbroek, sedert 9 december 1825 walkoloniste'. Meteen duikt iemand in Den Haag weer de boeken in en noteert in de kantlijn met potlood dat de weduwe Schoolbroek is geplaatst vanuit het arrondissement Amsterdam met twee kinderen. Dat is dus fout, het zijn er vier: Catharina, Cunera, Geertruida Elizabeth en Elizabeth Geertruida, de laatsten een tweeling. 'Behalve,' meldt de kantlijn, 'het onechte kind Willem, alhier breeder vermeld'.

Dat klopt dan weer wel, want doorgaand over dat kennis verkrijgen meldt Christiaan Willem dat de weduwe 'van deze verkeering de vruchten onder haar hart heeft gedragen' - mooi gezegd - 'en een kind bij hem verwekt, genaamd Willem, geboren op den 12 december 1830 aan de Ommerschans'.

Zijn indiensttreding, legt hij uit, was bedoeld 'ten einde het daarvan trekkende geld de weduwe ter hand te stellen om te strekken ter tegemoetkoming in het onderhoud van dit gezin, zoo als hij dit ook als een eerlijk, welmeenend man gedaan heeft, hetgeen bij de directie overbekend is'.

Toen zijn diensttijd er op zat, wilde Harbregt absoluut 'zijne betrekkingen met de weduwe Schoolbroek volgen', en daarom had hij zich vrijwillig aangemeld voor de Ommerschans. En hij is welkom, zowel bij de directie - 'eenige tijd na zijn aankomst is hij weder in zijne vroegere betrekking van veldwachter opnieuw geplaatst'- als bij Willempje van der Doozen weduwe Schoolbroek.

En daar gaat hij het de rest van de brief over hebben en dan gaat hij helemaal los. 'Hunne wederzijdsche bedoelingen dezelfde blijvende, zich beschouwende als onafscheidbaar, geene andere wenschen overig hebbende dan door een wettig huwelijk te zamen te worden vereenigd, om zoo doende geluk en tegenspoed, zoet en zuur met elkander te deelen, en elkanders lot op aarde te helpen torschen en dragen.'

Vooral dat laatste vind ik heel mooi.

Wat een kanjer, die Harbregt.

En met al dat fraais wil hij de toestemming van de permanente commissie om een huwelijk met Willempje aan te gaan.

Maar dan... onderaan de brief staat een kruisje en daarbij 'Dit is het handmerk van C.W. Harbregt, niet kunnende schrijven'.

O, dus hij heeft het niet zelf geschreven.

Maar heeft hij het dan letterlijk gedicteerd?

Ik ben bang van niet. Want een tijdje later kwam ik de zinssnede 'elkanders lot op aarde helpen torschen' tegen in een andere brief. En in weer andere brieven uit de Ommerschans vind ik ook dat 'zoet en zuur' en soortgelijke stijlbloempjes.

We zullen ermee moeten leren leven. Een brief uit het bedelaarsgesticht geeft niet altijd een compleet beeld van de denkwereld van de schrijver. Er zitten daar een aantal mensen die tegen betaling brieven schrijven voor hun lotgenoten. Verzoeken aan de permanente commissie, rekwesten aan koning Willem I of prins Frederik, brieven aan gemeente- of armbesturen. Vermoedelijk is het het kleine groepje bewoners dat uit de hogere standen komt maar door drankzucht tot de rangen der bedelaars is gevallen. Een ongeletterde bedelaar wil iets bereiken bij de permanente commissie, of de koning of zijn gemeentebestuur en huurt dan zo'n schrijver in en die brouwt er dan met mooie formuleringen wat fraais van. Want schrijven kunnen ze.

Het duurt nog twee jaar, maar op 25 april 1838 trouwen Christian Wilhelm Hartbrecht, 40 jaar, en Willempje van der Dooze, 49 jaar, te Ommen.

Wil Schackmann