Post van Weldadigheid

Bent u één van die miljoen Nederlanders die een voorouder heeft in de Koloniën van Weldadigheid? Veel nazaten gaan op zoek naar het lief en leed van hun voorouders. Helpt u mee die gegevens vindbaar te maken?

Stand van zaken

  • 135.321 scans
  • 476 deelnemers

  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Dubbel ingevoerd 100%
  • 57.429
    • 57.6% Onbruikbaar
    • 42.4% Dubbel ingevoerd
    • 42.4% Gecontroleerd
    Gecontroleerd 99.9%
Meedoen aan dit project
Wil Schackmann

Wil Schackmann

Jean Pierre Vaubaillon, deel 2: Ik wil naar de Noordamerika!

Het is een ‘achteruitgang der zaken van zijnen baas te Groningen’ die Jean Pierre Vaubaillon – zie het eerdere stukje - parten speelt. Plus de naderende winter, want hij is immers ‘verwer’ en dan begin je ’s winters niks. Op het eind van 1846 keert hij terug in de kolonie. Hij logeert bij Cornelis Nobbe, ‘met wien hij hier vroeger het verwerswerk heeft waargenomen’, en bij de kolonist Hendrik Martens van de Boom, want dat is inmiddels familie geworden. Die is afgelopen zomer met Jean Pierre’s zus Evan Vaubaillon getrouwd. Ik vraag mij dan altijd af of Hendrik Martens en Eva elkaar hebben leren kennen doordat Jean Pierre een tijdje bij Hendrik Martens ingedeeld is geweest, maar dat is altijd oppassen, voor je het weet gaan feiten en fantasie door elkaar lopen.

Op zich mag dat logeren niet. Het is kolonisten niet toegestaan om zomaar iemand in huis te nemen. Daar zijn hele tragische voorbeelden van. Een kind dat in de gewone maatschappij in problemen is geraakt en naar de in de kolonie wonende ouders terugwil, wat de Maatschappij dan verbiedt. Er zijn echter ook gevallen bekend waarbij de directie weet dat er iemand bij kolonisten in huis is en besluit de andere kant op te kijken. Dat lijkt hier ook het geval te zijn. De onderdirecteur van Frederiksoord en algemeen directeur Jan van Konijnenburg lijken er van te weten, maar zolang de permanente commissie in Den Haag het niet weet, is er niets aan de hand.

Alleen kunnen ze hem niet net als de kolonisten aan het werk zetten en daarom moet Van Konijnenburg er op 1 februari 1847 toch over beginnen. Het kan niet langer, er is ‘onmagt zijnen vermelde bloedverwanten en vrienden, om hem langer kosteloos te onderhouden’. Jean Pierre heeft de directeur een briefje geschreven, ‘volstrekt geen raad meer wetende waar ik mij geen begeven zal’. Schrijven heeft hij ook op het Guyot-instituut geleerd, en best netjes, al gebruikt hij wel eens een verkeerde letter of verkeerd woord. Hij vraagt Van Konijnenburg te willen bewerkstelligen dat hij weer officieel in de kolonie opgenomen wordt. ‘Onders ben ik diep ongelukkig, en wat zal er anders van mij worden? Waar moet ik met mij henen?’

Van Konijnenburg voldoet er graag aan en stelt de permanente commissie voor ‘om dien ongelukkige, ofschoon hij reeds 25 jaren telt, weer in deze kolonien optenemen, totdat hij als verwer buiten weer aan den gang kan komen’. Hij durft te verzekeren dat Jean Pierre ‘van deze tijdelijke ondersteuning geen misbruik zal maken, maar altoos trachten zich geheel buiten de kolonien te onderhouden’. En om de situatie te schetsen voegt hij toe dat Jean Pierre zo radeloos is dat hij overweegt zich bij de Ommerschans aan te melden. Want ook al zit je daar tussen de bedelaars en de landlopers, het is toch de enige plek die je met een beetje fantasie een sociaal vangnet zou kunnen noemen.

De permanente commissie vindt het goed en besluit op 12 februari ‘om J.P.Vaubaillon tot het voorjaar, maar ook niet langer, verblijf in de kolonien te vergunnen’. Hij staat voortaan in het stamboek vermeld als ‘op rekening der PC’.

Het is niet lang genoeg. Op 6 maart schrijft Jean Pierre weer. Vanaf het adres ‘M.H. van der Boom, hoeve No. 7, Frederiksoord’ en dit keer rechtstreeks naar Den Haag. Hij heeft nog niets gevonden en vraagt clementie voor ‘een ongelukkig wees die ouders loos is’. Dat is een beetje dubbelop, maar goed, het is duidelijk dat hij wanhopig is en tot twee keer toe meldt hij in deze brief ook dat hij doofstom is. Hij heeft ook een nieuw plan: ‘Ik wou wil vrijwillig gaan naar de Noordamerika.’ Hij heeft echter ook begrepen dat zoiets pas begin april kan. De permanente commissie doet niet moeilijk en verlengt de toestemming in de kolonie te blijven tot 1 mei.

Zolang blijft hij niet, het enige dat verder nog in de koloniale administratie over hem te vinden is, is dat Jean Pierre op 31 maart 1847 met ontslag de kolonie verlaat. Gelukkig is er ook nog alledrenten.nl en nog gelukkiger is Vaubaillon een weinig voorkomende naam en – het allergelukkigst en het belangrijkste – blijkbaar zorgt Jean Pierre er voor dat die naam ook altijd juist gespeld wordt. Want dan kan uit die gegevens worden afgeleid dat de doofstomme huisschilder niet naar Amerika emigreert maar vast werk vindt in de omgeving.

Als hij in 1858 te Smilde trouwt, staat als beroep ‘verwer’ vermeld. Als een paar jaar later die echtgenote overleden is en Jean Pierre hertrouwt is dat weer te Smilde en staat weer ‘verwer’ genoteerd. Als ook die echtgenote niet meer leeft en Jean Pierre voor de derde maal trouwt is dat - u raadt het al - te Smilde en als ‘verwer’. Het is dan inmiddels 1868. Ervoor en erna zijn er nog diverse geboorteaktes, waarop steevast bij de vader het beroep ‘verwer’ vermeld wordt en zelfs in die gevallen dat het kind spoedig overlijdt staat op die akte ‘zoon van Jean Pierre Vaubaillon beroep verwer’. Alleen op zijn eigen overlijdensakte, in 1877, staat het niet, maar dan heeft hij toch al dertig jaar te Smilde ‘geverwd’.

 

(met dank aan Abdulwadûd)

 

 

 

 

 

Het is een ‘achteruitgang der zaken van zijnen baas te Groningen’ die Jean Pierre Vaubaillon – zie het eerdere stukje - parten speelt. Plus de naderende winter, want hij is immers ‘verwer’ en dan begin je ’s winters niks. Op het eind van 1846 keert hij terug in de kolonie. Hij logeert bij Cornelis Nobbe, ‘met wien hij hier vroeger het verwerswerk heeft waargenomen’, en bij de kolonist Hendrik Martens van de Boom, want dat is inmiddels familie geworden. Die is afgelopen zomer met Jean Pierre’s zus Evan Vaubaillon getrouwd. Ik vraag mij dan altijd af of Hendrik Martens en Eva elkaar hebben leren kennen doordat Jean Pierre een tijdje bij Hendrik Martens ingedeeld is geweest, maar dat is altijd oppassen, voor je het weet gaan feiten en fantasie door elkaar lopen.

Op zich mag dat logeren niet. Het is kolonisten niet toegestaan om zomaar iemand in huis te nemen. Daar zijn hele tragische voorbeelden van. Een kind dat in de gewone maatschappij in problemen is geraakt en naar de in de kolonie wonende ouders terugwil, wat de Maatschappij dan verbiedt. Er zijn echter ook gevallen bekend waarbij de directie weet dat er iemand bij kolonisten in huis is en besluit de andere kant op te kijken. Dat lijkt hier ook het geval te zijn. De onderdirecteur van Frederiksoord en algemeen directeur Jan van Konijnenburg lijken er van te weten, maar zolang de permanente commissie in Den Haag het niet weet, is er niets aan de hand.

Alleen kunnen ze hem niet net als de kolonisten aan het werk zetten en daarom moet Van Konijnenburg er op 1 februari 1847 toch over beginnen. Het kan niet langer, er is ‘onmagt zijnen vermelde bloedverwanten en vrienden, om hem langer kosteloos te onderhouden’. Jean Pierre heeft de directeur een briefje geschreven, ‘volstrekt geen raad meer wetende waar ik mij geen begeven zal’. Schrijven heeft hij ook op het Guyot-instituut geleerd, en best netjes, al gebruikt hij wel eens een verkeerde letter of verkeerd woord. Hij vraagt Van Konijnenburg te willen bewerkstelligen dat hij weer officieel in de kolonie opgenomen wordt. ‘Onders ben ik diep ongelukkig, en wat zal er anders van mij worden? Waar moet ik met mij henen?’

Van Konijnenburg voldoet er graag aan en stelt de permanente commissie voor ‘om dien ongelukkige, ofschoon hij reeds 25 jaren telt, weer in deze kolonien optenemen, totdat hij als verwer buiten weer aan den gang kan komen’. Hij durft te verzekeren dat Jean Pierre ‘van deze tijdelijke ondersteuning geen misbruik zal maken, maar altoos trachten zich geheel buiten de kolonien te onderhouden’. En om de situatie te schetsen voegt hij toe dat Jean Pierre zo radeloos is dat hij overweegt zich bij de Ommerschans aan te melden. Want ook al zit je daar tussen de bedelaars en de landlopers, het is toch de enige plek die je met een beetje fantasie een sociaal vangnet zou kunnen noemen.

De permanente commissie vindt het goed en besluit op 12 februari ‘om J.P.Vaubaillon tot het voorjaar, maar ook niet langer, verblijf in de kolonien te vergunnen’. Hij staat voortaan in het stamboek vermeld als ‘op rekening der PC’.

Het is niet lang genoeg. Op 6 maart schrijft Jean Pierre weer. Vanaf het adres ‘M.H. van der Boom, hoeve No. 7, Frederiksoord’ en dit keer rechtstreeks naar Den Haag. Hij heeft nog niets gevonden en vraagt clementie voor ‘een ongelukkig wees die ouders loos is’. Dat is een beetje dubbelop, maar goed, het is duidelijk dat hij wanhopig is en tot twee keer toe meldt hij in deze brief ook dat hij doofstom is. Hij heeft ook een nieuw plan: ‘Ik wou wil vrijwillig gaan naar de Noordamerika.’ Hij heeft echter ook begrepen dat zoiets pas begin april kan. De permanente commissie doet niet moeilijk en verlengt de toestemming in de kolonie te blijven tot 1 mei.

Zolang blijft hij niet, het enige dat verder nog in de koloniale administratie over hem te vinden is, is dat Jean Pierre op 31 maart 1847 met ontslag de kolonie verlaat. Gelukkig is er ook nog alledrenten.nl en nog gelukkiger is Vaubaillon een weinig voorkomende naam en – het allergelukkigst en het belangrijkste – blijkbaar zorgt Jean Pierre er voor dat die naam ook altijd juist gespeld wordt. Want dan kan uit die gegevens worden afgeleid dat de doofstomme huisschilder niet naar Amerika emigreert maar vast werk vindt in de omgeving.

Als hij in 1858 te Smilde trouwt, staat als beroep ‘verwer’ vermeld. Als een paar jaar later die echtgenote overleden is en Jean Pierre hertrouwt is dat weer te Smilde en staat weer ‘verwer’ genoteerd. Als ook die echtgenote niet meer leeft en Jean Pierre voor de derde maal trouwt is dat - u raadt het al - te Smilde en als ‘verwer’. Het is dan inmiddels 1868. Ervoor en erna zijn er nog diverse geboorteaktes, waarop steevast bij de vader het beroep ‘verwer’ vermeld wordt en zelfs in die gevallen dat het kind spoedig overlijdt staat op die akte ‘zoon van Jean Pierre Vaubaillon beroep verwer’. Alleen op zijn eigen overlijdensakte, in 1877, staat het niet, maar dan heeft hij toch al dertig jaar te Smilde ‘geverwd’.

 

(met dank aan Abdulwadûd)

 

 

  • Wil Schackmann

    Wil Schackmann

    Sorry, Ferry is op vakantie en dat zelf inplakken gaat niet zo goed, er gebeurt van alles raars met de lettertypes en deze staat er nu ook dubbel in. Helaas is er geen mogelijkheid het te repareren, dus jullie zullen het er mee moeten doen.

    Hartelijke groet,

    Wil

  • Abdulwadûd Louws

    Abdulwadûd Louws

    Leuk om het allemaal te lezen, Wil. Ik was de goede man alweer vergeten, maar dat "Ik wil naar Noordamerika!' deed 't 'm. "Oh ja, Vaubaillòn!" dacht ik gelijk. Zouden er nog Vaubaillons op deez' aard zijn?

  • willem h

    willem h

    "allergelukkigst" dat er zoveel is opgeschreven, en dat je dat deelt, beste Wil:"gedeelde vreugd is dubbele vreugd.

  • willem h

    willem h

    "allergelukkigst" dat er zoveel is opgeschreven, en dat je dat deelt, beste Wil:"gedeelde vreugd is dubbele vreugd.